Omtrek berekenen
Omtrek berekenen is uitrekenen hoe lang de rand van een figuur is. Denk aan een hek rond de moestuin: hoeveel meter heb je nodig? Je telt alle zijden bij elkaar op.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 5 tot en met 8
Omtrek oefenen
Kies een niveau. Typ het getal. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: omtrek berekenen
De omtrek is de lengte van de rand rondom een figuur. Je telt alle zijden bij elkaar op.
- Rechthoek: lengte + breedte + lengte + breedte
- Vierkant: 4 × de zijde
- Andere figuren: tel alle zijden op, één voor één
Omtrek is iets anders dan oppervlakte. Omtrek gaat over de rand, oppervlakte over wat erbinnen ligt.
Wat is omtrek?
De omtrek is de lengte van de rand rondom een figuur. Op school zeggen leerkrachten vaak: stel je voor dat je met je vinger één keer om de figuur heen gaat. Of dat je er een touwtje omheen legt. Hoe lang is dat touwtje?
In groep 5 beginnen kinderen met figuren op ruitjespapier. Elk hokje is 1 cm. Ze tellen dan de randjes van de hokjes aan de buitenkant.
De omtrek van een rechthoek en een vierkant
Een rechthoek heeft twee lange zijden (de lengte) en twee korte zijden (de breedte). De omtrek is alle vier de zijden bij elkaar: lengte + breedte + lengte + breedte.
Sneller gaat het zo: tel de lengte en de breedte één keer op en doe dat keer 2. Bij een rechthoek van 8 cm bij 3 cm: 8 + 3 = 11, en 2 × 11 = 22 cm.
Een vierkant heeft vier even lange zijden. Daar is de omtrek 4 × de zijde.
Andere figuren: tel alle zijden
Bij een driehoek, een zeshoek of een L-vorm werkt het hetzelfde: tel alle zijden op. Begin bij één hoek, ga de rand rond en zet een streepje bij elke zijde die je hebt geteld. Zo sla je er geen over.
In groep 7 en 8 staan er soms niet bij alle zijden getallen. Dan moet je een zijde zelf uitrekenen, bijvoorbeeld door de onderkant te vergelijken met de stukjes aan de bovenkant.
Omtrek en oppervlakte: wat is het verschil?
Kinderen halen omtrek en oppervlakte vaak door elkaar. Een handige vraag is: gaat het om de rand of om wat erbinnen ligt?
| Omtrek | Oppervlakte |
|---|---|
| De rand rondom | Wat erbinnen ligt |
| Je telt de zijden op | Je doet lengte × breedte |
| In cm of m | In cm² of m² |
| Een hek om de tuin | Het gras in de tuin |
Terugrekenen vanuit de omtrek
In groep 7 en 8 krijgen kinderen ook sommen andersom. Je weet de omtrek en moet een zijde vinden.
- Vierkant: deel de omtrek door 4. Omtrek 20 cm, dan is de zijde 5 cm.
- Rechthoek: de helft van de omtrek is lengte + breedte. Omtrek 30 cm en lengte 10 cm: de helft is 15 cm, dus de breedte is 5 cm.
Gratis werkbladen omtrek berekenen
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Omtrek met hokjesgroep 5 en 6, pdf met antwoordenGratis printen
- Omtrek van rechthoekengroep 6, pdf met antwoordenGratis printen
- Terugrekenengroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Verhaaltjessommengroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
Omtrek berekenen: wat leert je kind in welke groep?
- Groep 5Omtrek op ruitjespapier: de randjes tellen. Ook omtrek meten met een liniaal of touwtje.
- Groep 6De omtrek van een rechthoek en een vierkant uitrekenen, in cm en in m.
- Groep 7Omtrek van andere figuren, zoals L-vormen en driehoeken, terugrekenen en het verschil met oppervlakte.
- Groep 8Omtrek in verhaaltjessommen, ook met verschillende maten door elkaar, zoals m en cm.
Omtrek en oppervlakte komen vaak in hetzelfde blok. Let erop dat je kind ze niet door elkaar haalt.
Veelgemaakte fouten bij omtrek berekenen
- Omtrek en oppervlakte door elkaar halen. Vraag steeds: gaat het om de rand of om wat erbinnen ligt?
- Maar twee zijden optellen: bij een rechthoek van 8 bij 3 wordt de omtrek dan 11. Laat je kind met de vinger alle vier de zijden aanwijzen.
- Bij hokjes tellen kinderen de hokjes langs de rand in plaats van de randjes. Een hokje in de hoek heeft twee randjes aan de buitenkant.
- Maten door elkaar optellen, zoals 2 m + 50 cm = 52. Maak eerst alles dezelfde maat.
Thuis aan de slag met omtrek berekenen
- Leg een touwtje om een boek of een placemat. Strek het daarna en meet hoe lang het is. Dat is de omtrek.
- Loop samen om de tuin of het schoolplein en tel je stappen. Meet daarna hoe groot één stap is.
- Pak een cadeautje in en reken samen uit hoeveel lint je nodig hebt.
- Teken op ruitjespapier zoveel mogelijk verschillende figuren met een omtrek van 12 cm.
Vragen over omtrek berekenen
Wat is omtrek?
Omtrek is de lengte van de rand rondom een figuur. Je telt alle zijden bij elkaar op. Het antwoord is een lengte, dus in cm, m of km.
Hoe bereken je de omtrek van een rechthoek?
Tel alle vier de zijden op: lengte + breedte + lengte + breedte. Of tel lengte en breedte één keer op en doe dat keer 2. Een rechthoek van 6 bij 4 cm heeft een omtrek van 20 cm.
Hoe bereken je de omtrek van een vierkant?
Een vierkant heeft vier even lange zijden. De omtrek is dus 4 keer de zijde. Een vierkant met zijden van 5 cm heeft een omtrek van 20 cm.
Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?
Omtrek is de rand rondom, zoals een hek om de tuin. Oppervlakte is wat erbinnen ligt, zoals het gras in de tuin. Omtrek reken je in cm of m, oppervlakte in cm² of m².
In welke groep leer je omtrek berekenen?
Meestal in groep 5, met hokjes op ruitjespapier. In groep 6 rekenen kinderen de omtrek van rechthoeken uit. In groep 7 en 8 komen andere figuren, terugrekenen en verhaaltjessommen erbij.
Hierna oefenen
Alles van rekenen vind je op rekenen oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.



