Pakketten

Woordenschat oefenen

Woordenschat oefenen werkt het best met woorden in een zin, niet met losse rijtjes. Kies hieronder de groep van je kind: in elke ronde staat een woord in een zin, en je kind kiest wat het betekent.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 3 tot en met 8

Woordenschat oefenen per groep

Kies de groep van je kind. Lees de zin en kies wat het woord betekent, of welk woord in de zin past. Met Lees voor hoort je kind de vraag. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Leespakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 4 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 4Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over woordenschat

  • Je woordenschat zijn alle woorden die je kent. Woorden die je begrijpt maar zelf nog niet gebruikt, horen er ook bij.
  • Kinderen leren de meeste woorden door te luisteren, te praten en te lezen. Een woord moet je vaak tegenkomen voor het blijft hangen.
  • In groep 3 en 4 gaat het om woorden uit het dagelijks leven, vanaf groep 5 komen er woorden uit zaakvakken en opdrachten bij.
  • Een woord leer je het best in vier stappen: vooraf ophalen wat je kind al weet, uitleggen, herhalen en daarna kijken of het woord gebleven is.

Wat is woordenschat?

Woordenschat is de verzameling woorden die iemand kent. Leerkrachten maken vaak onderscheid tussen twee soorten:

  • Passieve of receptieve woordenschat: woorden die je kind begrijpt als het ze hoort of leest.
  • Actieve of productieve woordenschat: woorden die je kind zelf gebruikt als het praat of schrijft.

De passieve woordenschat is altijd groter. Je kind snapt in een gesprek over het weer wel wat miezeren is, maar zegt het zelf misschien nog niet. Dat is normaal: een woord gaat eerst van "nooit gehoord" naar "begrijp ik" en pas later naar "gebruik ik zelf".

Woordenschat hangt sterk samen met lezen. Een kind dat in een tekst steeds woorden tegenkomt die het niet kent, verliest de draad. Daarom is woordenschat een belangrijk onderdeel van begrijpend lezen.

Welke woorden leert je kind in welke groep?

Er is geen vaste lijst die voor alle scholen geldt. Elke taalmethode kiest eigen woorden, en ook bij rekenen en wereldoriëntatie leert je kind nieuwe woorden. Wel zie je in elke groep hetzelfde soort woorden terugkomen:

GroepSoort woordenVoorbeelden
3Dingen, doe-woorden en gevoelens uit het dagelijks levendweilen, gapen, verdrietig
4Woorden uit verhalen, het tegenovergestelde en woorden die ongeveer hetzelfde betekenenverdwalen, geduldig, smal en breed
5Woorden uit de wereld om je heen: winkel, verkeer, natuurafgelast, gids, stijgen
6Woorden uit zaakvakken, en woorden als oorzaak en gevolgklimaat, bevolking, roofdier
7Schooltaal: woorden die in opdrachten en werkstukken staanvergelijken, conclusie, bron
8Woorden uit het nieuws en uit informatieve teksten, en feit of meningbenadrukken, analyseren, sarcastisch

Woordenschat groep 3 en groep 4

Woordenschat groep 3

In groep 3 is je kind vooral bezig met leren lezen. De woorden in de eerste leesboekjes zijn kort en bekend, zoals maan, roos en vis. De woordenschat groeit in groep 3 nog vooral via luisteren en praten: in de kring, bij het voorlezen en bij thema's zoals de bakker of de dierentuin.

Thuis help je het meest door voor te lezen uit boeken die je kind zelf nog niet kan lezen. Daar staan woorden in die in gewone gesprekken weinig voorkomen. Een woord als huppelen leg je uit door het voor te doen.

Woordenschat groep 4

In groep 4 leest je kind steeds meer zelf. Nu komen er woorden bij die vooral in verhalen staan: verdwalen, nieuwsgierig, oogsten. Veel methodes oefenen ook met tegenstellingen (vol en leeg) en met woorden die bijna hetzelfde betekenen (blij en vrolijk). Dat helpt je kind om een onbekend woord te koppelen aan iets wat het al kent.

Woordenschat groep 5 en groep 6

Woordenschat groep 5

In groep 5 worden de teksten langer en informatiever. Je kind komt woorden tegen als afgelast, verzamelen en gids. Een nieuwe vaardigheid is de betekenis afleiden uit de zin: wat zou afgelast betekenen als er staat dat de wedstrijd niet doorging door de storm? Leerkrachten noemen dat de context gebruiken.

Woordenschat groep 6

In groep 6 komen bij aardrijkskunde, geschiedenis en natuur veel vakwoorden voor: klimaat, bevolking, roofdier. Kinderen die deze woorden niet kennen, lopen bij die vakken vast, ook als ze goed kunnen lezen. Let ook op kleine woorden met een grote betekenis, zoals oorzaak en gevolg. Die komen bij begrijpend lezen groep 6 steeds terug.

Betekenis raden uit de zin

De wedstrijd is afgelast door de storm.

Wat gebeurt er bij storm? Dan kun je niet spelen. Dus afgelast betekent: het gaat niet door.

Woordenschat groep 7 en groep 8

Woordenschat groep 7

In groep 7 gaat het voor een groot deel om schooltaal: woorden die in opdrachten staan. Wat moet je doen als er staat vergelijk, beschrijf of leg uit? Kinderen die deze woorden niet precies kennen, maken een opdracht verkeerd terwijl ze de stof wel snappen. Ook woorden voor werkstukken komen erbij, zoals bron, conclusie en argument.

Woordenschat groep 8

In groep 8 lezen kinderen teksten uit kranten, folders en websites. De woorden zijn abstracter: benadrukken, beperken, gebaseerd op. Kinderen leren het verschil tussen een feit en een mening, en ze leren taal te herkennen die iets anders bedoelt dan er staat, zoals sarcasme. Bij de doorstroomtoets komen zulke woorden voor in de leesteksten. Vaste uitdrukkingen oefen je apart bij spreekwoorden en gezegden.

Zo leer je een nieuw woord: de viertakt

Veel scholen leren woorden aan met de viertakt, een aanpak van Marianne en Simone Verhallen. Je kunt dezelfde vier stappen thuis gebruiken, bijvoorbeeld met een woord uit het leesboek van je kind.

  1. Voorbewerken: ophalen wat je kind al weet. "We gaan zo lezen over een vulkaan. Wat weet je daar al van?"
  2. Betekenis geven: het woord uitleggen, het liefst met iets wat je kind kan zien of doen. Laat een filmpje of plaatje zien, of doe het voor.
  3. Herhalen: het woord die week vaker gebruiken. Laat je kind er zelf een zin mee maken, of speel er een spelletje mee.
  4. Controleren: een paar dagen later vragen of je kind het nog weet. Kan het het woord zelf uitleggen?

De derde stap wordt het vaakst overgeslagen. Eén keer uitleggen is bijna nooit genoeg. Een woord dat je kind een week lang een paar keer hoort en zelf gebruikt, blijft veel beter hangen.

Gratis werkbladen woordenschat

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

Hier lopen kinderen vaak tegenaan bij woordenschat

  • Je kind kent een woord in één betekenis, maar niet in een andere. Een bron is een plek waar water uit de grond komt, maar in een werkstuk is het de plek waar je informatie vandaan komt. Vraag bij zulke woorden: wat betekent het hier?
  • Je kind leest over een onbekend woord heen en raadt de rest van de tekst. Spreek af dat het bij een onbekend woord even stopt en eerst de zin eromheen leest.
  • Je kind kan een woord uitleggen, maar gebruikt het nooit zelf. Daag het uit: wie gebruikt vandaag aan tafel het nieuwe woord van de week?
  • Schooltaal, zoals vergelijk of verklaar, wordt thuis bijna nooit gebruikt. Lees samen een opdracht uit het huiswerk en vraag: wat moet je hier precies doen?

Zo vergroot je de woordenschat van je kind thuis

  • Lees voor, ook als je kind zelf kan lezen. Kies boeken die net iets moeilijker zijn dan wat je kind zelf leest, en praat over de woorden die je tegenkomt.
  • Hang elke week één nieuw woord op de koelkast. Wie het woord gebruikt in een gewone zin, krijgt een streepje.
  • Speel "omschrijven": jij beschrijft een woord zonder het te noemen, je kind raadt het. Daarna wisselen. Dat oefent ook de actieve woordenschat.
  • Praat bij het nieuws, in de supermarkt of bij een bord langs de weg over woorden die je ziet. Wat betekent omleiding eigenlijk?
Leespakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 4 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 4Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over woordenschat

Hoe kan ik de woordenschat van mijn kind vergroten?

Door veel voor te lezen, te praten en nieuwe woorden een paar keer terug te laten komen. Uitleggen is één stap, maar je kind moet een woord ook horen en zelf gebruiken voor het blijft hangen. Korte momenten per dag werken beter dan een lange lijst in één keer.

Wat is het verschil tussen actieve en passieve woordenschat?

Passieve woordenschat zijn de woorden die je kind begrijpt. Actieve woordenschat zijn de woorden die je kind zelf gebruikt bij praten en schrijven. Bijna elk woord is eerst passief en wordt later actief.

Mijn kind leest goed, maar snapt de tekst niet. Kan dat aan de woordenschat liggen?

Dat kan. Vlot lezen en begrijpen zijn twee verschillende dingen. Als je kind in een tekst veel woorden niet kent, mist het de betekenis. Vraag na het lezen welke woorden lastig waren, en bespreek het met de leerkracht als het vaak gebeurt.

Welke spelletjes zijn goed voor de woordenschat?

Spelletjes waarbij je woorden moet uitleggen of raden, zoals omschrijven of "ik zie, ik zie wat jij niet ziet" met moeilijke woorden. Ook een woordzoeker met een thema kan, als je daarna praat over wat de woorden betekenen. Online oefenen kan met de oefeningen bovenaan deze pagina.

Leert mijn kind ook Engelse woorden op school?

Ja. Engels is verplicht in groep 7 en 8, en veel scholen beginnen eerder. Dat is een aparte woordenschat. Oefenen kan bij Engelse woordjes, met uitspraak.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 3, groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.