Lijdend voorwerp vinden
Het lijdend voorwerp is het zinsdeel waar iets mee gebeurt: Sanne leest het boek. Je vindt het met één vaste vraag. Die vraag staat hieronder, en ook waar kinderen toch nog over struikelen.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 6 tot en met 8
Lijdend voorwerp oefenen
Lees de zin en kies het lijdend voorwerp. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: het lijdend voorwerp
- Het lijdend voorwerp is wie of wat iets ondergaat: wat wordt er gelezen, gekocht, gemaakt?
- De vraag is: wie of wat + gezegde + onderwerp? Wat leest Sanne? Het boek.
- Het is vaak meer dan één woord: de kapotte fiets, een glas melk.
- Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp. Sam slaapt heeft er geen.
Wat is het lijdend voorwerp?
In veel zinnen doet iemand iets met iets of iemand. Sanne leest het boek. Papa wast de auto. De juf helpt Noor. Het boek, de auto en Noor ondergaan wat er gebeurt. Dat zinsdeel heet het lijdend voorwerp. Lijdend betekent hier niet dat het pijn doet, maar dat er iets mee gebeurt.
Het lijdend voorwerp is een zinsdeel. Dat is vaak meer dan één woord: de kapotte fiets, een glas melk, die mooie rode fiets. Die woorden horen bij elkaar.
Sanne leest het boek.
Papa wast de auto.
De juf helpt Noor.
Het trucje: wie of wat + gezegde + onderwerp?
Zo vind je het lijdend voorwerp in drie stappen:
- Zoek het gezegde: alle werkwoorden in de zin. Begin met de persoonsvorm.
- Zoek het onderwerp: wie of wat + persoonsvorm?
- Vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Het antwoord is het lijdend voorwerp.
Krijg je geen antwoord, dan heeft de zin geen lijdend voorwerp.
Zin: Gisteren heeft de buurman zijn auto verkocht.
Gezegde: heeft verkocht
Onderwerp: de buurman
Wat heeft de buurman verkocht? Zijn auto.
Als het lijdend voorwerp vooraan staat
Het lijdend voorwerp staat niet altijd achteraan. In Die mooie rode fiets heeft Tim gekocht staat het helemaal vooraan. Kinderen denken dan vaak dat het eerste zinsdeel het onderwerp is.
Daarom is de volgorde van de stappen belangrijk. Zoek eerst het onderwerp: wie heeft gekocht? Tim. Vraag dan: wat heeft Tim gekocht? Die mooie rode fiets. Dat is het lijdend voorwerp, ook al staat het vooraan.
Geen lijdend voorwerp
Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp. Bij werkwoorden zoals slapen, lachen, rennen en wonen doe je niets met iets. Sam slaapt en Wij wonen in een flat hebben er geen. In een flat zegt waar wij wonen: dat is een bijwoordelijke bepaling.
Ook bij zijn, worden en blijven is er geen lijdend voorwerp. In Oma wordt tachtig is tachtig geen lijdend voorwerp. Sommige scholen leren in groep 8 dat dit een naamwoordelijk gezegde is.
In een zin met geven, sturen of vertellen staat vaak ook een meewerkend voorwerp: aan wie of voor wie het is. In Ik geef mijn moeder een bos bloemen is een bos bloemen het lijdend voorwerp en mijn moeder het meewerkend voorwerp.
Gratis werkbladen lijdend voorwerp vinden
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Makkelijkgroep 6 en 7, pdf met antwoordenGratis printen
- Moeilijkergroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Wel of geen lijdend voorwerpgroep 6 tot en met 8, pdf met antwoordenGratis printen
Het lijdend voorwerp: wat leert je kind in welke groep?
Lastige punten bij het lijdend voorwerp
- Kinderen kiezen alleen het belangrijkste woord, bijvoorbeeld fiets in plaats van de kapotte fiets. Leer ze dat een zinsdeel alle woorden pakt die bij elkaar horen. Kun je het samen vooraan in de zin zetten? Dan is het één zinsdeel.
- Staat het lijdend voorwerp vooraan, dan denken kinderen dat het het onderwerp is. Laat ze altijd eerst het onderwerp zoeken met wie of wat + persoonsvorm.
- Kinderen verwarren het lijdend voorwerp met het meewerkend voorwerp. Vraag: wat wordt er gegeven? Dat is het lijdend voorwerp. Aan wie? Dat is het meewerkend voorwerp.
Thuis aan de slag met het lijdend voorwerp
- Stel tijdens het eten de vraag: wat eet jij? Het antwoord (een boterham met kaas) is het lijdend voorwerp. Zo went de vraag.
- Laat je kind zinnen maken met een vast werkwoord, zoals kopen of zoeken, en dan zelf het lijdend voorwerp aanwijzen.
- Gebruik de stappen altijd in dezelfde volgorde: gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp. Zo raakt je kind niet in de war als de zin anders begint.
Vragen over het lijdend voorwerp
Wat is een lijdend voorwerp?
Het zinsdeel dat ondergaat wat er gebeurt. In Papa wast de auto is de auto het lijdend voorwerp: daar gebeurt iets mee.
Hoe vind je het lijdend voorwerp?
Zoek eerst het gezegde en het onderwerp. Vraag dan: wie of wat + gezegde + onderwerp? In Lisa eet een appel: wat eet Lisa? Een appel. Dat is het lijdend voorwerp.
Heeft elke zin een lijdend voorwerp?
Nee. Bij werkwoorden zoals slapen, lachen en wonen is er meestal geen. Ook bij zijn, worden en blijven niet. Krijg je geen antwoord op de vraag wie of wat + gezegde + onderwerp, dan is er geen lijdend voorwerp.
Wat is het verschil tussen lijdend en meewerkend voorwerp?
Het lijdend voorwerp is wat er gegeven, gemaakt of verteld wordt. Het meewerkend voorwerp is aan wie of voor wie dat is. In Tim geeft zijn moeder een kus is een kus het lijdend voorwerp en zijn moeder het meewerkend voorwerp.
Hierna oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 6, groep 7 en groep 8.


