Pakketten

Werkwoordspelling oefenen

Werkwoordspelling gaat over één vraag: schrijf je een d, een t of dt? Met een vast stappenplan lukt het bijna altijd. Het lastigste is meestal niet de regel kennen, maar hem elke keer echt toepassen.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 5 tot en met 8

Werkwoordspelling oefenen

Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip volgens het stappenplan. Groep 7 en groep 8 zijn alle onderdelen door elkaar, op het niveau van dat jaar.

Vraag 10 goed

Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over werkwoordspelling

  • Nu (tegenwoordige tijd): ik + stam (ik word), jij en hij + stam + t (hij wordt). Staat jij achter het werkwoord, dan geen t (word jij).
  • Vroeger (verleden tijd): zit de laatste letter van de stam in 't kofschip (plus de x)? Dan -⁠te, anders -⁠de.
  • Voltooid deelwoord: ge + stam + t of d, ook met 't kofschip (gefietst, gewoond).
  • Sterke werkwoorden veranderen van klank en volgen die regels niet (lopen, liep, gelopen).

Het stappenplan voor d of t

Veel scholen leren een vast stappenplan. De namen verschillen per methode, maar de stappen zijn bijna altijd deze:

  1. Zoek de persoonsvorm: het werkwoord dat verandert als je de tijd verandert.
  2. Is het nu of vroeger? Nu is de tegenwoordige tijd, vroeger de verleden tijd.
  3. Zoek het onderwerp: wie doet het?
  4. Pas de regel toe die bij dat onderwerp hoort.

De stam is het hele werkwoord zonder -⁠en: worden wordt word, vinden wordt vind. Soms verandert de spelling een beetje: lopen wordt loop, verhuizen wordt verhuis, leven wordt leef.

OnderwerpRegelVoorbeeld
ikstamik word, ik vind
jij, je (vóór het werkwoord)stam + tjij wordt, je vindt
hij, zij, het, één persoon of dingstam + thij wordt, Lisa vindt
wij, jullie, zij (meer dan één)hele werkwoordwij worden, jullie vinden

De dt-regel: wanneer schrijf je dt?

De dt-regel is geen aparte regel, maar het gevolg van het stappenplan. Eindigt de stam op een d, zoals bij worden (word) en vinden (vind), en moet er een t bij? Dan staat er dt: hij wordt, jij vindt. Je hoort het verschil niet, daarom gaat het zo vaak mis.

Jij achter het werkwoord: geen t

Staat jij of je achter het werkwoord, bijvoorbeeld in een vraag? Dan valt de t weg: Word jij ook tien? en Vind je het leuk? Dat geldt alleen voor jij en je. Bij hij en het blijft de t gewoon staan: Wordt hij ook tien?

Je die eigenlijk jouw betekent

Een lastige uitzondering voor groep 7 en 8: soms betekent je eigenlijk jouw. In Wordt je zus ook tien? is het onderwerp je zus, dus één persoon, dus stam + t. Een handige check: kun je jouw zeggen? Dan is het geen jij.

Ik word tien. (ik: stam)
Hij wordt tien. (hij: stam + t = dt)
Word jij ook tien? (jij achter het werkwoord: stam)
Wordt je zus ook tien? (je = jouw: stam + t)

Verleden tijd, voltooid deelwoord en sterke werkwoorden

Zit de laatste letter van de stam in t, k, f, s, ch of p (plus de x), dan krijgt de verleden tijd -⁠te en het voltooid deelwoord een t: fietste, gefietst. Anders wordt het -⁠de en een d: woonde, gewoond. Hoe je dat ezelsbruggetje gebruikt, met de valkuilen bij v en z, staat bij 't kofschip.

Elk van deze onderdelen heeft een eigen pagina met uitleg, voorbeelden en oefeningen:

fietsen: stam fiets, s zit in 't kofschip: ik fietste, ik heb gefietst
wonen: stam woon, n zit er niet in: ik woonde, ik heb gewoond
lopen: sterk: ik liep, ik heb gelopen

Werkwoordspelling per groep

Werkwoordspelling wordt over vier jaar opgebouwd. Wat er in welk jaar komt, verschilt per school en methode. Dit is de volgorde die je het vaakst ziet.

Werkwoordspelling groep 5

De stam en stam + t in de tegenwoordige tijd: ik word, hij wordt. Kinderen leren eerst het onderwerp zoeken.

Werkwoordspelling groep 6

Jij achter het werkwoord (word jij) en de verleden tijd met 't kofschip. Het werkblad voor groep 6 heeft beide door elkaar.

Werkwoordspelling groep 7

Het voltooid deelwoord, werkwoorden met be-, ver- en ont-, werkwoorden met een v of z (verhuisde) en je die eigenlijk jouw betekent (wordt je zus). Ook gebeurd en gebeurt uit elkaar houden. Kies hierboven het niveau Groep 7, of print het werkblad voor groep 7.

Werkwoordspelling groep 8

Alles door elkaar, ook het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord (de verbrande toast, de beantwoorde vragen) en sterke werkwoorden in de verleden tijd (hij vond, jij werd). Dit komt terug op de doorstroomtoets. Het niveau Groep 8 en het werkblad voor groep 8 zijn een goede herhaling.

Werkbladen werkwoordspelling per groep

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina. De werkbladen per groep hebben de onderdelen van dat jaar door elkaar.

In welke groep komt werkwoordspelling aan bod?

  • Groep 5De stam en stam + t in de tegenwoordige tijd: ik word, hij wordt.
  • Groep 6Jij achter het werkwoord (word jij) en de verleden tijd met 't kofschip.
  • Groep 7Het voltooid deelwoord, werkwoorden met een v of z, en je die eigenlijk jouw betekent.
  • Groep 8Alles door elkaar, ook lastige woorden zoals verhuisde en gebeurd. Belangrijk voor de doorstroomtoets.

Veelgemaakte fouten bij werkwoordspelling

  • Kinderen schrijven wat ze horen. Wordt en word klinken hetzelfde. Laat je kind altijd eerst het onderwerp zoeken voordat het schrijft.
  • Na het leren van stam + t zetten kinderen overal een t achter, ook bij jij achter het werkwoord. Oefen dus ook vragen: word jij, vind je.
  • Bij leven en verhuizen kijken kinderen naar de f of s van de stam en schrijven leefte of verhuiste. Zeg erbij: kijk naar de v en z in het hele werkwoord.
  • Bij het voltooid deelwoord schrijven kinderen soms gebrandt of verhuist. Laat ze 't kofschip toepassen, en bij een v of z kijken naar het hele werkwoord (verhuizen → verhuisd). Check ook of er be-, ge-, her-, ver- of ont- voor staat.

Tips om thuis met werkwoordspelling te oefenen

  • Maak samen een kaartje met de stappen en hang het bij het bureau. Laat je kind de stappen hardop zeggen bij elk werkwoord.
  • Neem een kort stukje uit een leesboek en zoek samen alle werkwoorden. Waarom staat er hier een t, en daar niet?
  • Leer 't kofschip met een ezelsbruggetje, of schrijf de letters op een papiertje als boekenlegger.
  • Oefen liever vaak en kort: vijf zinnen per dag werkt beter dan één keer per week een heel blad.
Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over werkwoordspelling

Wanneer schrijf je dt?

Als de stam op een d eindigt en er een t bij moet. Dat is bij jij (vóór het werkwoord), hij, zij, het en één persoon of ding: hij wordt, jij vindt. Bij ik en bij jij achter het werkwoord schrijf je alleen de stam: ik word, word jij.

Wat heeft 't kofschip met werkwoordspelling te maken?

Het is het ezelsbruggetje voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden: -⁠te of -⁠de, en een t of d aan het eind. In de tegenwoordige tijd gebruik je het niet. Uitleg en oefeningen staan bij 't kofschip.

Wat leren kinderen bij werkwoordspelling in groep 7 en 8?

In groep 7 komen het voltooid deelwoord, werkwoorden met een v of z en je die jouw betekent. In groep 8 gaat alles door elkaar, met lastige vormen zoals gebeurd en gebeurt, en de verbrande toast. Op deze pagina staan voor beide groepen een oefenniveau en een werkblad.

In welke groep leer je werkwoordspelling?

Meestal begint het in groep 5 met stam + t in de tegenwoordige tijd. In groep 6 komen de verleden tijd en 't kofschip, en in groep 7 en 8 het voltooid deelwoord en de lastige gevallen. Dit verschilt per school.

Waarom maakt mijn kind steeds dezelfde d/t-fouten?

Meestal slaat je kind een stap over en schrijft het wat het hoort. Laat het een tijdje elke keer hardop het onderwerp noemen en de regel zeggen. Dat voelt traag, maar daarna gaat het steeds vaker vanzelf goed.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.