Persoonsvorm vinden
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet. Op school leren kinderen er twee trucjes voor: de zin in een andere tijd zetten, of er een vraag van maken.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 6 tot en met 8
Persoonsvorm oefenen
Klik op de persoonsvorm. Bij een fout krijg je een tip.
De persoonsvorm in het kort
- In elke gewone zin staat één persoonsvorm. Het is altijd een werkwoord.
- Tijdproef: zet de zin in een andere tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
- Vraagproef: maak er een vraag van. Het werkwoord dat vooraan komt, is de persoonsvorm.
- Staan er meer werkwoorden in de zin? Dan is er toch maar één de persoonsvorm.
Wat is de persoonsvorm?
De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat past bij de persoon die iets doet. Verander je de persoon, dan verandert dat werkwoord mee: ik loop, hij loopt, wij lopen. Verander je de tijd, dan verandert het ook: ik loop, ik liep.
Kinderen leren de persoonsvorm vinden omdat ze hem nodig hebben bij de werkwoordspelling (d of t?) en als eerste stap bij zinsontleding.
Sara fietst naar school.
Wij spelen in de tuin.
Gisteren las ik een boek.
Trucje 1: de tijdproef
Zet de zin in een andere tijd. Staat de zin nu in de tegenwoordige tijd? Zet er dan gisteren voor. Staat hij in de verleden tijd? Maak er dan nu van. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
Sara fietst naar school.
Gisteren fietste Sara naar school.
Fietst wordt fietste. Dus fietst is de persoonsvorm.
Trucje 2: de vraagproef
Maak van de zin een vraag die je met ja of nee kunt beantwoorden. Het werkwoord dat dan helemaal vooraan komt, is de persoonsvorm.
Is de zin al een vraag, zoals Wanneer komt de bus? Dan staat de persoonsvorm direct na het vraagwoord, of helemaal vooraan.
Mijn opa woont in Assen.
Woont mijn opa in Assen?
Dus woont is de persoonsvorm.
Meer werkwoorden in de zin
In de zin Ik heb een taart gebakken staan twee werkwoorden: heb en gebakken. Maar er is maar één persoonsvorm. Doe de tijdproef: Ik had een taart gebakken. Alleen heb verandert. Dus heb is de persoonsvorm.
Twee dingen om op te letten:
- In een opdracht, zoals Doe de deur dicht, staat de persoonsvorm helemaal vooraan.
- Een woord dat op een werkwoord lijkt, is soms een ding: het eten, het zwemmen. Kun je er het voor zetten? Dan is het hier geen persoonsvorm.
Ik heb een taart gebakken.
De kinderen moeten hun kamer opruimen.
Doe de deur dicht.
Gratis werkbladen persoonsvorm vinden
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Eén werkwoordgroep 6, pdf met antwoordenGratis printen
- Meer werkwoordengroep 6 en 7, pdf met antwoordenGratis printen
- Lastige zinnengroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
De persoonsvorm per groep
- Groep 6De persoonsvorm vinden in korte zinnen met de tijdproef en de vraagproef. Sommige scholen beginnen hier al mee in groep 5, bij de werkwoordspelling.
- Groep 7Zinnen met meer werkwoorden, vragen en zinnen die niet met het onderwerp beginnen.
- Groep 8Lange en lastige zinnen, opdrachten, en de persoonsvorm als eerste stap bij het ontleden.
Hier gaat het vaak mis bij de persoonsvorm
- Kinderen kiezen het eerste werkwoord dat ze zien, of het laatste. Laat ze altijd een proef doen, ook als ze denken dat ze het weten.
- Bij meer werkwoorden kiezen kinderen vaak het werkwoord met de meeste betekenis, zoals gebakken. Laat zien dat bij de tijdproef alleen heb verandert.
- Woorden zoals het eten of het zwemmen lijken op werkwoorden. Vraag: kun je er het voor zetten? Dan is het hier een ding.
- Bij de vraagproef maken kinderen soms een vraag met een vraagwoord (waar, wanneer). Dan komt de persoonsvorm niet vooraan. Zeg erbij: maak een ja-nee-vraag.
Zo oefen je de persoonsvorm thuis
- Speel het tijdmachinespel: jij zegt een zin, je kind zet hem in het verleden. Welk woord veranderde?
- Neem een zin uit een leesboek of van een pak hagelslag en laat je kind de persoonsvorm aanwijzen, met de proef erbij.
- Laat je kind er zelf zinnen bij bedenken met twee werkwoorden. Kan het de persoonsvorm in zijn eigen zin vinden?
Veelgestelde vragen over de persoonsvorm
Wat is een persoonsvorm?
Het werkwoord in een zin dat verandert als je de tijd of de persoon verandert. In Sara fietst naar school is fietst de persoonsvorm: gisteren fietste Sara.
Hoe vind je de persoonsvorm?
Met de tijdproef: zet de zin in een andere tijd en kijk welk werkwoord verandert. Of met de vraagproef: maak er een ja-nee-vraag van. Het werkwoord dat vooraan komt, is de persoonsvorm.
Kan een zin twee persoonsvormen hebben?
Een gewone zin heeft er één. Een lange zin met bijvoorbeeld en, maar of omdat kan uit twee delen bestaan, met in elk deel een persoonsvorm: Ik blijf thuis, omdat ik ziek ben. Daar oefenen kinderen meestal pas later mee, in groep 8 of op de middelbare school.
Waarom is de persoonsvorm belangrijk?
Je hebt hem nodig om te weten of je een d, t of dt schrijft. En bij zinsontleding is het de eerste stap: daarna vind je het onderwerp door te vragen wie of wat + persoonsvorm.
Past hier ook bij
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 6, groep 7 en groep 8.


