Sommen tot 100 oefenen
Sommen tot 100 oefenen doet je kind vooral in groep 4: eerst met hele tientallen, dan over het tiental heen, zoals 47 + 8. Bij 47 + 8 gaat je kind eerst naar 50 en dan nog 5 verder. Dat kost in het begin tijd, en dat is normaal.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 3 en 4
Oefen sommen tot 100
Kies een niveau. Je kind typt het antwoord. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: sommen tot 100
- Eerst leert je kind wat tientallen en eenheden zijn: 47 is 4 tientallen en 7 eenheden.
- Op school rekenen kinderen met sprongen: eerst de tientallen, dan de eenheden. Dat heet rijgen.
- Bij over het tiental spring je eerst naar het hele tiental: 47 + 8 = 47 + 3 + 5 = 55.
- Onder elkaar rekenen komt pas later, in groep 5 of 6.
Eerst de getallen tot 100
Voordat je kind gaat rekenen tot 100, moet het de getallen goed kennen. Op school leren kinderen dat 47 bestaat uit 4 tientallen en 7 eenheden. Ze tellen in sprongen van 10, ook vanaf een ander getal: 7, 17, 27, 37.
Daarbij gebruiken scholen materiaal dat je kunt zien en vastpakken: staafjes van tien en losse blokjes, een kralenketting met 100 kralen in groepjes van tien, het honderdveld en de getallenlijn. Ook geld helpt: 4 briefjes van 10 euro en 7 munten van 1 euro is 47 euro.
Rijgen: springen op de getallenlijn
De meeste methodes leren kinderen om te rijgen. Je laat het eerste getal heel en doet het tweede getal er in stukjes bij: eerst de tientallen, dan de eenheden. Op een lege getallenlijn tekenen kinderen de sprongen als boogjes.
Bij min werkt het net zo: eerst de tientallen eraf, dan de eenheden.
47 + 25: 47 + 20 = 67, en 67 + 5 = 72.
83 − 36: 83 − 30 = 53, en 53 − 6 = 47.
Over het tiental: eerst naar het hele tiental
Een som gaat over het tiental als je over een heel tiental heen springt, zoals bij 47 + 8. Van 47 naar 50 is 3, en dan moeten er nog 5 bij. Je kind splitst de 8 dus in 3 en 5. Dat lukt alleen als het de splitsingen tot 10 goed kent, en vooral de verliefde harten: 7 en 3 maken samen 10.
47 + 8: 47 + 3 = 50, en 50 + 5 = 55.
53 − 7: 53 − 3 = 50, en 50 − 4 = 46.
Splitsen of rijgen?
Sommige kinderen splitsen liever de tientallen en de eenheden: bij 34 + 25 rekenen ze 30 + 20 = 50 en 4 + 5 = 9, samen 59. Bij plus gaat dat goed.
Bij min gaat het met splitsen vaak mis. Bij 52 − 27 is 50 − 20 = 30, maar 2 − 7 kan niet. Kinderen draaien het dan om en rekenen 7 − 2. Zo komen ze op 35 in plaats van 25. Daarom leren de meeste scholen bij min te rijgen: 52 − 20 = 32, 32 − 2 = 30, 30 − 5 = 25.
Liggen de getallen dicht bij elkaar, zoals bij 61 − 58, dan is verder tellen handiger: van 58 naar 61 is 3.
Gratis werkbladen sommen tot 100
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Plus over het tientalgroep 4, pdf met antwoordenGratis printen
- Min over het tientalgroep 4, pdf met antwoordenGratis printen
- Plus en min door elkaargroep 4, pdf met antwoordenGratis printen
- Verhaaltjessommen tot 100groep 4, pdf met antwoordenGratis printen
Sommen tot 100: wat leert je kind in welke groep?
- Groep 3De getallen tot 100 leren kennen: tientallen en eenheden, en tellen in sprongen van 10. Soms ook al plus en min met hele tientallen.
- Groep 4Plus en min tot 100, eerst zonder en daarna over het tiental, zoals 47 + 8 en 53 − 7. Aan het eind ook sommen als 47 + 25 en 83 − 36.
- Groep 5Sommen tot 100 moeten vlot gaan. Daarna komen getallen tot 1000 en handig rekenen, zoals 45 + 29 = 45 + 30 − 1.
Lastige punten bij sommen tot 100
- In het Nederlands zeg je de eenheden eerst: zevenenveertig. Daarom schrijven kinderen soms 74 als ze 47 bedoelen. Laat je kind het getal hardop zeggen en vraag: hoeveel tientallen zijn het?
- Bij min met splitsen draaien kinderen de eenheden om. Bij 52 − 27 rekenen ze 7 − 2 en komen ze op 35. Laat je kind rijgen: eerst 20 eraf, dan 7.
- Bij 47 + 8 tellen kinderen in stapjes van 1 en tellen ze zich vaak een stapje mis. Laat je kind eerst naar 50 springen: 47 + 3. Dan weet het dat er nog 5 bij moet.
- Je kind telt bij 38 + 25 alles in stapjes van 1. Dat kost veel tijd en gaat vaak fout. Oefen sprongen van 10: 38, 48, 58.
Thuis aan de slag met sommen tot 100
- Tel samen in sprongen van 10, ook vanaf een ander getal: 3, 13, 23, 33. En weer terug.
- Gebruik geld: briefjes van 10 euro en munten van 1 euro laten mooi zien wat tientallen en eenheden zijn.
- Reken onderweg: we rijden 35 minuten en dan nog 20 minuten. Hoe lang is dat samen?
- Teken een lege getallenlijn en laat je kind de sprongen tekenen. Dan zie je meteen hoe het rekent.
Vragen over sommen tot 100
Hoe leer je je kind sommen tot 100?
Begin met tellen in sprongen van 10 en met tientallen en eenheden. Oefen daarna sommen zonder overschrijding, zoals 43 + 5, en pas dan sommen over het tiental, zoals 47 + 8. Reken op dezelfde manier als op school: eerst de tientallen, dan de eenheden.
Wat is rijgen bij rekenen?
Rijgen is rekenen in sprongen. Je laat het eerste getal heel en doet het tweede getal er in stukjes bij: 47 + 25 = 47 + 20 + 5. De meeste methodes leren dit in groep 4, omdat het bij plus en min goed werkt.
Wat betekent over het tiental?
Een som gaat over het tiental als je over een heel tiental heen moet, zoals bij 47 + 8: je komt van de 40 in de 50. Je kind springt dan eerst naar 50 en doet de rest erbij. Bij 43 + 5 blijf je in de 40, dan is het niet over het tiental.
Hoe maak je minsommen tot 100 makkelijker?
Bij minsommen over het tiental, zoals 53 − 7, spring je eerst terug naar het hele tiental: 53 − 3 = 50. Dan haal je de rest eraf: 50 − 4 = 46. Bij grotere minsommen, zoals 83 − 36, haal je eerst de tientallen eraf (83 − 30 = 53) en daarna de eenheden (53 − 6 = 47).
Wanneer moet mijn kind tot 100 kunnen rekenen?
De meeste kinderen leren plus en min tot 100 in groep 4. Aan het eind van groep 4 kunnen ze sommen als 47 + 25 en 83 − 36 uitrekenen. In groep 5 moet het vlot gaan, omdat dan de getallen tot 1000 komen.
Mag mijn kind de sommen onder elkaar zetten?
In groep 4 meestal nog niet. Onder elkaar rekenen komt in groep 5 of 6. Eerst leren kinderen uit het hoofd rekenen met sprongen, zodat ze snappen wat de getallen betekenen. Meer over onder elkaar rekenen lees je bij kolomsgewijs rekenen, de eerste stap, en bij cijferen en staartdelingen.
Hierna oefenen
Alles van rekenen vind je op rekenen oefenen. Per groep: groep 3 en groep 4.



