Begrijpend lezen oefenen
Begrijpend lezen is snappen wat je leest. Hier vind je per groep teksten met vragen zoals op school, uitleg over leesstrategieën en signaalwoorden, en tips om thuis te oefenen.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 3 tot en met 8
Signaalwoorden en tekstdoel oefenen
Kies een oefening. Bij een fout krijg je een tip. Teksten met vragen per groep vind je hieronder.
Het belangrijkste over begrijpend lezen
Begrijpend lezen is op de meeste scholen vanaf groep 4 een vast vak. Kinderen leren dan wat er staat, en ook wat de schrijver ermee bedoelt. Daarvoor leren ze vier leesstrategieën, signaalwoorden en de verschillende soorten teksten.
Kies hieronder de groep van je kind voor teksten met vragen op het goede niveau.
Begrijpend lezen per groep
- Begrijpend lezen groep 3Heel korte teksten met vragen, voor kinderen van 6 en 7 jaargroep 3
- Begrijpend lezen groep 4Korte teksten met vragen, voor kinderen van 7 en 8 jaargroep 4
- Begrijpend lezen groep 5Teksten met alinea's, signaalwoorden en verwijswoordengroep 5
- Begrijpend lezen groep 6Hoofdzaken, figuurlijke taal en het doel van de schrijvergroep 6
- Begrijpend lezen groep 7Hoofdgedachte, feit en mening, en informatie uit tabellengroep 7
- Begrijpend lezen groep 8Lange teksten en alle vraagsoorten, ook voor de doorstroomtoetsgroep 8
Wat is begrijpend lezen?
Bij technisch lezen leert je kind de woorden goed en vlot te lezen. Bij begrijpend lezen gaat het om de inhoud: snappen wat er staat, en ook wat er niet letterlijk staat. Een kind kan een tekst vlot voorlezen en daarna toch niet weten waar hij over ging.
Op school is begrijpend lezen vanaf groep 4 meestal een vast vak, met eigen lessen en toetsen. Bij een tekst horen vragen van verschillende soorten:
- Letterlijke vragen: het antwoord staat in de tekst. Je kind moet het terugvinden.
- Afleidvragen: het antwoord staat er niet letterlijk. Je kind bedenkt het uit wat er wel staat. Dit heet ook wel "tussen de regels door lezen".
- Woordbetekenis: wat betekent een woord of uitdrukking in deze tekst?
- Hoofdgedachte: waar gaat de tekst vooral over? Wat wil de schrijver zeggen?
Vier leesstrategieën: voorspellen, vragen stellen, ophelderen en samenvatten
Goede lezers doen ongemerkt een paar dingen. Op school leren kinderen die bewust te doen. De meeste scholen werken met deze vier leesstrategieën. De namen verschillen soms een beetje per methode.
- Voorspellen (voor het lezen): kijk naar de titel en de plaatjes. Waar gaat de tekst over? Wat weet je er al van?
- Vragen stellen (tijdens het lezen): wat wil je te weten komen? Waarom doet iemand iets?
- Ophelderen (tijdens het lezen): snap je een woord of zin niet? Lees de zinnen ervoor en erna, kijk naar het plaatje of zoek het op.
- Samenvatten (na het lezen): vertel in een paar zinnen wat de belangrijkste dingen waren.
Voorbeeld bij de titel "Het licht in de schuur"
- Voorspellen: Ik denk dat iemand iets geheimzinnigs ziet in een oude schuur.
- Vragen stellen: Wie doet daar het licht aan? En waarom juist 's avonds?
- Ophelderen: Wat is een kerkuil? Ik lees verder: het is een uil die in schuren woont.
- Samenvatten: Twee kinderen ontdekken dat het licht van een vogelonderzoeker is, die kerkuilen bekijkt.
Signaalwoorden en verwijswoorden
Signaalwoorden laten zien hoe zinnen met elkaar te maken hebben. Herkent je kind ze, dan snapt het beter hoe een tekst in elkaar zit. Vanaf groep 5 komen ze steeds vaker terug.
| Soort | Signaalwoorden | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Reden | want, omdat | Ik blijf binnen, want het regent. |
| Gevolg | daardoor, dus, daarom | Het vroor. Daardoor was de weg glad. |
| Tegenstelling | maar, toch, echter | Het was koud, maar we gingen zwemmen. |
| Opsomming | ook, bovendien, ten eerste | Het boek is spannend. Bovendien is het grappig. |
| Tijd en volgorde | eerst, daarna, ten slotte | Eerst was je je handen, daarna ga je eten. |
| Voorbeeld | bijvoorbeeld, zoals | Ik hou van fruit, zoals appels. |
| Vergelijking | net als, evenals | Een vleermuis is, net als een mens, een zoogdier. |
Niet elke school gebruikt dezelfde namen. Soms worden reden en oorzaak apart genoemd. Dat maakt voor het begrijpen niet veel uit.
Verwijswoorden zijn woorden als hij, zij, die, dat en daar. Ze verwijzen naar iets wat eerder in de tekst staat. Op toetsen komt vaak de vraag: "Wie of wat wordt bedoeld met hij?"
Tekstsoorten en het doel van de schrijver
Elke tekst is met een reden geschreven. Op toetsen komt vaak de vraag: "Wat is het doel van de schrijver?"
- Verhalende tekst, zoals een verhaal of een strip. Doel: amuseren, je laten genieten.
- Informatieve tekst, zoals een tekst over dieren of geschiedenis. Doel: informeren, je iets leren.
- Instructieve tekst, zoals een recept, spelregels of een handleiding. Doel: instrueren, uitleggen hoe je iets doet.
- Betogende tekst, zoals een mening in de schoolkrant of een ingezonden brief. Doel: overtuigen, zorgen dat jij het met de schrijver eens bent.
- Reclame of advertentie. Doel: je overhalen om iets te kopen of te doen. Sommige methodes noemen dat activeren.
Begrijpend lezen werkbladen, gratis om te printen
In zwart-wit, met de antwoorden op de laatste pagina. Hieronder staan werkbladen over signaalwoorden en het doel van de schrijver. Werkbladen met een tekst en vragen voor één groep staan op de pagina van die groep.
- Signaalwoordengroep 5 tot en met 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Het doel van de schrijvergroep 6 tot en met 8, pdf met antwoordenGratis printen
Begrijpend lezen in elke groep
- Groep 4Korte teksten van een paar alinea's. Vragen over wat er letterlijk staat, en de eerste vragen waarbij je kind zelf moet nadenken.
- Groep 5Langere teksten met alinea's. Signaalwoorden als want, maar en daarom, en verwijswoorden als hij en daar.
- Groep 6Hoofdzaken en bijzaken, samenvatten, het doel van de schrijver en figuurlijke taal.
- Groep 7De hoofdgedachte, feit en mening, teksten met een mening, en informatie uit tabellen halen.
- Groep 8Langere teksten en alle vraagsoorten door elkaar, ook ter voorbereiding op de doorstroomtoets.
Welke teksten je kind krijgt, hangt af van de leesmethode van school. De soorten vragen lijken wel op elkaar.
Lastige punten bij begrijpend lezen
- Te snel lezen en gokken. Kinderen kiezen het antwoord dat bekend klinkt. Leer je kind om bij elke vraag terug te zoeken in de tekst.
- Een antwoord kiezen dat zelf wel klopt, maar niet in de tekst staat. Bij begrijpend lezen gaat het om wat de tekst zegt, niet om wat je kind al weet.
- Afleidvragen. Het antwoord staat er niet letterlijk. Vraag: "Hoe weet je dat? Welke zin in de tekst helpt je?"
- Moeilijke woorden overslaan. Leer je kind de zinnen ervoor en erna te lezen, zodat het de betekenis kan raden.
Tips om thuis met begrijpend lezen te oefenen
- Lees vaak samen iets, ook al is het kort: een stukje uit de krant, een recept of de achterkant van een boek.
- Stel vragen tijdens het lezen: "Wat denk je dat er nu gaat gebeuren?" en "Waarom deed hij dat?"
- Laat je kind na het lezen in twee of drie zinnen vertellen waar het over ging.
- Praat over woorden. Kom je een moeilijk woord tegen, raad dan samen wat het betekent voordat je het opzoekt.
- Een spreekbeurt voorbereiden is ook begrijpend lezen: je kind zoekt informatie, haalt de belangrijkste dingen eruit en vertelt die in eigen woorden. Lees hoe je kind stap voor stap een spreekbeurt maakt.
Wat ouders vragen over begrijpend lezen
Vanaf welke groep krijgt mijn kind begrijpend lezen?
Op de meeste scholen is begrijpend lezen vanaf groep 4 een apart vak. In groep 3 ligt de nadruk op het leren lezen zelf. Maar ook dan praten leerkrachten al over de verhalen die ze voorlezen, en dat is een goede basis.
Wat is het verschil tussen technisch en begrijpend lezen?
Bij technisch lezen gaat het om het goed en vlot lezen van de woorden. Bij begrijpend lezen gaat het om snappen wat er staat. Een kind dat nog moeizaam leest, heeft weinig aandacht over voor de inhoud. Daarom helpen die twee elkaar.
Mijn kind leest vlot, maar scoort laag op begrijpend lezen. Hoe kan dat?
Dat komt vaak voor. Soms leest je kind te snel en zoekt het niet terug in de tekst. Soms kent het veel woorden niet (dan helpt werken aan de woordenschat), of weet het weinig van het onderwerp. Samen lezen en praten over wat je leest helpt bij al deze dingen. Bespreek het ook met de leerkracht.
Wat zijn signaalwoorden?
Signaalwoorden laten zien hoe zinnen met elkaar te maken hebben. Na "want" komt een reden, na "maar" een tegenstelling en na "daarna" het volgende in de tijd. Wie ze herkent, snapt beter hoe een tekst in elkaar zit.
Waar vind ik begrijpend lezen werkbladen met antwoorden?
Op deze pagina staan twee werkbladen voor groep 5 tot en met 8. Op de pagina per groep, zoals begrijpend lezen groep 6, staan werkbladen met een eigen tekst en vragen op het niveau van die groep. Bij alle werkbladen staan de antwoorden op de laatste pagina.
Hoe vaak moet mijn kind oefenen?
Eén tekst met vragen per keer is genoeg. Doe dat liever een paar keer per week dan een hele middag in het weekend.
Verder oefenen
Alles van lezen vind je op lezen oefenen. Per groep: groep 3, groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.

