Pakketten

Bijvoeglijk naamwoord oefenen

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord: hoe is het? Een rode bal, een kleine muis. Op school leren kinderen er een vaste vraag bij. Die staat hieronder, met oefeningen.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 4 tot en met 8

Zoek het bijvoeglijk naamwoord

Klik op het bijvoeglijk naamwoord, of kies de goede vorm. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over het bijvoeglijk naamwoord

Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets is. Het hoort bij een zelfstandig naamwoord.

  • Vraag: hoe is het? Hoe is de bal? Rood. Dan is rood het bijvoeglijk naamwoord.
  • Het staat vaak tussen de, het of een en het zelfstandig naamwoord: een rode bal.
  • Het kan ook achter is staan: de bal is rood.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het vertelt hoe iets is: groot, klein, rood, lief, vies, spannend. Het woord wordt als het ware bij het naamwoord gevoegd. Daar komt de naam vandaan.

Het trucje dat veel scholen gebruiken is een vraag: hoe is het? Hoe is de bal? Rood. Hoe is de muis? Klein. Het antwoord is het bijvoeglijk naamwoord.

een rode bal → hoe is de bal? rood
de kleine muis → hoe is de muis? klein
een spannend boek → hoe is het boek? spannend

Voor het zelfstandig naamwoord, of achter is

Meestal staat het bijvoeglijk naamwoord tussen het lidwoord (de, het, een) en het zelfstandig naamwoord: de hoge toren. Zoek dus eerst het zelfstandig naamwoord en kijk wat ervoor staat.

Het kan ook verderop in de zin staan, vaak achter is, was, wordt of lijkt: de toren is hoog. Ook dan is het een bijvoeglijk naamwoord, want het zegt hoe de toren is. Dit vinden kinderen lastiger, en dat zit in het niveau Moeilijker.

De hoge toren valt om.
De toren is hoog.

Met of zonder e: rode of rood?

Vanaf groep 5 of 6 komt de spelling erbij. Meestal krijgt het bijvoeglijk naamwoord een e achteraan: de rode bal, een rode bal, rode ballen. Er komt geen e achter:

  • bij een + een het-woord: een rood bord, een groot huis;
  • bij een het-woord zonder lidwoord: vers brood, koud water;
  • als het achter is of was staat: de bal is rood.

Let op de spelling als er een e bij komt. Soms valt er een letter weg (groot, grote) en soms komt er een letter bij (dik, dikke; wit, witte). Dat zijn dezelfde regels als bij spelling van lange en korte klanken.

de grote boom   een grote boom
het grote huis   een groot huis

Groot, groter, grootst

In groep 6 of 7 leren kinderen dat je een bijvoeglijk naamwoord kunt vergelijken. Op school heet dit de trappen van vergelijking:

  • gewoon: groot, lief, goed
  • vergrotende trap: groter, liever, beter
  • overtreffende trap: grootst, liefst, best

Ook groter en grootst zijn dus bijvoeglijke naamwoorden. Goed, beter, best is een uitzondering die kinderen gewoon moeten onthouden.

Gratis werkbladen bijvoeglijk naamwoord

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

In welke groep komt het bijvoeglijk naamwoord aan bod?

  • Groep 4Kinderen leren dat een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is. Vaak eerst met kleuren en maten: rood, groot, klein.
  • Groep 5Bijvoeglijke naamwoorden vinden in zinnen, ook achter is. De spelling met of zonder e komt erbij.
  • Groep 6Groter en grootst: de trappen van vergelijking. Bij veel methodes ook het verschil met het bijwoord.
  • Groep 7 en 8Herhalen in langere zinnen. Soms ook woorden als houten en gouden: die zeggen waarvan iets gemaakt is.

Hier gaat het vaak mis bij het bijvoeglijk naamwoord

  • Kinderen klikken op het zelfstandig naamwoord in plaats van het woord ervoor. Laat ze eerst het ding zoeken (de bal) en dan vragen: hoe is de bal?
  • Achter is of was zien kinderen het bijvoeglijk naamwoord niet. In de soep is heet zegt heet nog steeds hoe de soep is.
  • Bij met of zonder e gaat het vaak mis bij een + het-woord: een groot huis, niet een grote huis. Laat je kind eerst zeggen of het de of het is.
  • Woorden als snel en hard kunnen ook iets zeggen over wat iemand doet: hij rent snel. Veel scholen noemen dat dan een bijwoord. Vraag: zegt het iets over een ding of over wat iemand doet?

Tips om thuis met het bijvoeglijk naamwoord te oefenen

  • Laat je kind een knuffel of speelgoed beschrijven met drie bijvoeglijke naamwoorden: zacht, bruin, oud.
  • Speel "ik zie, ik zie": ik zie iets wat rond en geel is.
  • Maak samen een zin steeds langer: de hond, de grote hond, de grote bruine hond.
  • Vergelijk dingen in huis: welke beker is groter? Welke is het grootst?
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over het bijvoeglijk naamwoord

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord: hoe is het? In een rode bal is rood het bijvoeglijk naamwoord. Het kan ook achter is staan: de bal is rood.

Hoe herken je een bijvoeglijk naamwoord?

Zoek eerst het zelfstandig naamwoord. Vraag dan: hoe is het? Hoe is de bal? Rood. Vaak staat het bijvoeglijk naamwoord tussen de, het of een en het zelfstandig naamwoord.

Wanneer schrijf je een e achter een bijvoeglijk naamwoord?

Meestal wel: de grote boom, een grote boom, het grote huis. Niet bij een + een het-woord (een groot huis), bij een het-woord zonder lidwoord (vers brood) en als het achter is of was staat (het huis is groot).

Wat is het verschil tussen een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een ding of persoon: de snelle auto. Zegt het woord iets over wat iemand doet, zoals in hij rent snel, dan noemen de meeste scholen het een bijwoord. Hoe streng dit wordt behandeld, verschilt per methode.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.