Rekenen met geld oefenen
Rekenen met geld leert je kind in groep 3 tot en met 5: eerst munten en briefjes tellen, dan euro's en centen, en daarna wisselgeld uitrekenen. Het beste oefenmateriaal heb je al in huis: laat je kind in de winkel eens zelf afrekenen.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 3 tot en met 5
Oefen met geld
Kies een niveau. Bij een bedrag met centen typ je een komma, zoals 2,50. Bij een fout krijg je een tip.
Het belangrijkste over rekenen met geld
- In groep 3 leert je kind de munten en briefjes kennen en telt het met hele euro's.
- Daarna komen de centen: 100 cent is 1 euro, en € 2,50 is 2 euro en 50 cent.
- Geld tellen gaat het makkelijkst als je begint bij het grootste bedrag.
- Wisselgeld reken je uit door verder te tellen vanaf de prijs, net als bij de kassa.
Munten en briefjes leren kennen
In groep 3 leren kinderen eerst hoe het geld eruitziet. Er zijn munten van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 cent, en munten van 1 en 2 euro. Daarnaast zijn er briefjes van 5, 10, 20, 50, 100 en 200 euro. Briefjes van 100 en 200 euro zie je bijna nooit.
Voor kinderen is het lastig dat een grote munt niet altijd meer waard is. De munt van 5 cent is groter dan die van 10 cent, en de munt van 50 cent is groter dan die van 1 euro. Laat je kind daarom goed naar het getal op de munt kijken.
Euro's en centen
In groep 4 en 5 komen de centen erbij. 100 cent is 1 euro. Een bedrag schrijf je met een komma: voor de komma staan de euro's, achter de komma de centen. € 2,50 is 2 euro en 50 cent.
Achter de komma staan altijd twee cijfers. € 3,05 is 3 euro en 5 cent, en € 3,50 is 3 euro en 50 cent. Kinderen halen die twee vaak door elkaar.
In Nederland ronden de meeste winkels af op 5 cent als je contant betaalt. Kost iets € 3,48, dan betaal je € 3,50. Daarom zie je munten van 1 en 2 cent bijna nooit.
Geld tellen en gepast betalen
Bij geld tellen leren kinderen te beginnen bij het grootste bedrag. Eerst de briefjes, dan de euro's, dan de centen. Gepast betalen betekent dat je precies het goede bedrag geeft, zonder dat je geld terugkrijgt.
Op school zoeken kinderen ook verschillende manieren om hetzelfde bedrag te betalen. € 2 kan met een munt van 2 euro, met twee munten van 1 euro, of met vier munten van 50 cent.
Gepast betalen: € 7,80
€ 5 + € 2 = € 7. Dan nog 80 cent: 50 + 20 + 10 cent. Samen € 7,80.
Wisselgeld: verder tellen vanaf de prijs
Hoeveel krijg je terug? Dat is een minsom: wat je betaalt min de prijs. Op school leren de meeste kinderen dit uit te rekenen door verder te tellen vanaf de prijs, net zoals een kassamedewerker het geld teruggeeft. Eerst naar een mooi rond bedrag, dan door tot het bedrag waarmee je betaalt.
Iets kost € 6,40. Je betaalt met € 10.
Van € 6,40 naar € 6,50 is 10 cent. Van € 6,50 naar € 7 is 50 cent. Van € 7 naar € 10 is 3 euro.
Samen krijg je € 3,60 terug.
Schatten: heb ik genoeg geld?
Vanaf groep 5 leren kinderen ook schatten. Ze ronden de prijzen af en rekenen dan uit of ze genoeg geld hebben. Dat is handig in de winkel en het komt veel voor in toetsen.
Later, vanaf groep 6, rekenen kinderen met geld bij kommagetallen, en in groep 7 en 8 bij korting en procenten.
Je hebt € 20. Je wilt drie dingen kopen: € 7,95, € 4,95 en € 6,50.
Rond af: € 8 + € 5 + € 6,50 = € 19,50. Dat is net genoeg. Precies uitgerekend is het € 19,40.
Gratis werkbladen rekenen met geld
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Hele euro's tellengroep 3 en 4, pdf met antwoordenGratis printen
- Geld tellen met centengroep 4 en 5, pdf met antwoordenGratis printen
- Wisselgeldgroep 5, pdf met antwoordenGratis printen
- Verhaaltjessommen met geldgroep 4 en 5, pdf met antwoordenGratis printen
In welke groep komt rekenen met geld aan bod?
Waar kinderen bij rekenen met geld vaak op vastlopen
- Je kind telt de munten in plaats van wat ze waard zijn. Drie munten worden dan 3 euro. Laat je kind bij elke munt eerst hardop zeggen wat hij waard is.
- Een grotere munt lijkt meer waard. De munt van 50 cent is groter dan die van 1 euro. Wijs het getal op de munt aan: dat telt, niet hoe groot hij is.
- € 3,05 en € 3,50 lopen door elkaar. Hardop zeggen helpt: drie euro en vijf cent, of drie euro en vijftig cent.
- Bij wisselgeld trekken kinderen verkeerd af. Bij € 10 − € 6,40 komen ze op € 4,60, omdat ze vergeten dat de centen uit een hele euro komen. Laat ze verder tellen vanaf de prijs.
Tips om thuis met rekenen met geld te oefenen
- Laat je kind zelf afrekenen bij de bakker of op de markt, met contant geld. Reken samen na of het wisselgeld klopt.
- Speel winkeltje met echt geld of speelgeld en een paar prijskaartjes. Wissel van rol: de een betaalt, de ander geeft terug.
- Tel samen de spaarpot. Maak eerst stapeltjes van dezelfde munten, en begin met tellen bij de grootste.
- Vraag in de supermarkt: hebben we genoeg met 10 euro? Laat je kind de prijzen afronden en schatten.
Wat ouders vragen over rekenen met geld
In welke groep leer je rekenen met geld?
In groep 3 leren kinderen de munten en briefjes kennen en tellen ze met hele euro's. In groep 4 rekenen ze met euro's tot 100. In groep 5 komen de centen met de komma erbij en rekenen ze wisselgeld uit.
Hoe leer je je kind wisselgeld uitrekenen?
Laat je kind verder tellen vanaf de prijs, net als bij de kassa. Kost iets € 6,40 en betaal je met € 10, dan tel je naar € 6,50, naar € 7 en dan naar € 10. Samen is dat € 3,60.
Waarom betaal je in Nederland niet met munten van 1 en 2 cent?
De munten bestaan wel, maar de meeste winkels ronden af op 5 cent als je contant betaalt. € 3,48 wordt € 3,50, en € 3,42 wordt € 3,40. Bij pinnen betaal je wel het precieze bedrag.
Mijn kind ziet bijna nooit contant geld. Moet het toch met munten leren rekenen?
Ja. Op school en in toetsen komen munten en briefjes veel voor. Met echt geld snapt een kind beter hoe bedragen werken, ook als het later vooral pint. Laat je kind daarom af en toe contant betalen.
Verder oefenen
Alles van rekenen vind je op rekenen oefenen. Per groep: groep 3, groep 4 en groep 5.



