Pakketten

De of het? Lidwoorden oefenen

De of het: welk lidwoord hoort bij een woord? Een regel die altijd werkt, bestaat helaas niet. Wel een paar vuistregels en trucjes, en vooral: veel oefenen met echte woorden.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 4 tot en met 8

De of het oefenen

Is het de of het? Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

De of het in het kort

  • Er zijn drie lidwoorden: de, het en een. Een past bij elk woord.
  • Of een woord een de-woord of een het-woord is, moet je meestal gewoon leren.
  • Dit werkt altijd: een verkleinwoord is het (het huisje), een meervoud is de (de huizen).
  • Woorden op -⁠ing en -⁠heid zijn de-woorden: de tekening, de waarheid.
  • Trucje: bij een het-woord zeg je dat (dat huis), bij een de-woord die (die fiets).

Wat is een lidwoord?

Een lidwoord is een klein woordje dat vóór een zelfstandig naamwoord staat. Het Nederlands heeft er drie: de, het en een.

  • De en het gebruik je als je een bepaald ding bedoelt: de fiets (die van jou), het boek (dat op tafel ligt).
  • Een gebruik je als het niet uitmaakt welke: een fiets, een boek. Een past bij elk woord.

Op school leren kinderen het lidwoord als woordsoort, vaak al in groep 4. Het lidwoord is ook het trucje om een zelfstandig naamwoord te vinden: kun je er de, het of een voor zetten?

Let op: één met streepjes is geen lidwoord maar een telwoord. Het betekent het getal 1.

de fiets, de appel, de juf
het huis, het boek, het paard
een fiets, een huis

De of het: vuistregels die altijd werken

Voor de meeste woorden is er geen regel. Je kind moet het lidwoord gewoon leren, net als het woord zelf. Er zijn wel een paar regels die altijd kloppen:

RegelVoorbeeld
Een verkleinwoord (met -⁠je) is altijd hetde tafel, maar het tafeltje
Een meervoud is altijd dehet huis, maar de huizen
Woorden op -⁠ing zijn dede tekening, de wandeling
Woorden op -⁠heid zijn dede waarheid, de vrijheid
Een werkwoord als ding is hethet zwemmen, het lezen
Namen van talen zijn hethet Nederlands, het Engels

Er is ook een regel die vaak, maar niet altijd werkt: woorden die beginnen met ge- of be- zijn meestal het-woorden. Het gebouw, het geluid, het begin. Maar het is de gedachte en de beweging (want: -⁠ing).

Trucjes voor thuis

Die of dat? Bij een het-woord zeg je dat en dit: dat huis, dit boek. Bij een de-woord zeg je die en deze: die fiets, deze appel. Veel kinderen horen sneller wat goed klinkt met die of dat dan met de of het.

Een groot of een grote? Na een krijgt een bijvoeglijk naamwoord bij een het-woord geen e: een groot huis. Bij een de-woord wel: een grote fiets. Ook daar hoor je soms aan of het een de- of het-woord is.

Leer het woord met het lidwoord. Leer niet fiets, maar de fiets. Dat is vooral belangrijk voor kinderen die thuis ook een andere taal spreken. Voor hen is de of het vaak extra lastig, omdat ze het minder vaak horen.

Twijfel? Zoek het samen op in het Groene Boekje of op woordenlijst.org. Daar staat bij elk woord of het de of het is.

het huis → dat huis → een groot huis
de fiets → die fiets → een grote fiets

Gratis werkbladen de of het? Lidwoorden

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

  • De of het: makkelijke woordengroep 4 en 5, pdf met antwoordenGratis printen
  • De of het: lastige woordengroep 5 tot en met 8, pdf met antwoordenGratis printen
  • Die of dat?groep 4 tot en met 6, pdf met antwoordenGratis printen

De of het per groep

  • Groep 4Het lidwoord als woordsoort: de, het en een. En het trucje om een zelfstandig naamwoord te vinden.
  • Groep 5De of het bij bekende woorden, het verkleinwoord (altijd het) en het meervoud (altijd de).
  • Groep 6 tot 8Lastigere woorden en woorden op -⁠ing en -⁠heid. De of het komt vooral terug bij spelling, zoals bij een groot huis en een grote fiets.

Veelgemaakte fouten bij de of het

  • Kinderen gebruiken de voor alle woorden, omdat ze de vaker horen. Oefen vooral de het-woorden die je kind elke dag gebruikt: het huis, het boek, het brood.
  • Bij een verkleinwoord nemen kinderen het lidwoord van het gewone woord: de tafeltje. Leer de regel: met -⁠je erachter is het altijd het.
  • Bij het meervoud doen ze het andersom: het huizen. Zeg erbij: meer dan één is altijd de.

Zo oefen je de of het thuis

  • Zeg bij het opruimen of dekken van de tafel steeds het lidwoord erbij: pak jij het mes, de vork en het bord?
  • Speel die-of-dat: jij wijst iets aan, je kind zegt die of dat erbij. Die stoel, dat raam.
  • Maak twee stapels kaartjes: de-woorden en het-woorden. Laat je kind nieuwe woorden uit een leesboek op de goede stapel leggen. Zoek het samen op als jullie twijfelen.
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Veelgestelde vragen over de of het

Hoe weet je of een woord de of het is?

Voor de meeste woorden moet je het gewoon leren. Er zijn wel regels die altijd werken: een verkleinwoord is het (het huisje), een meervoud is de (de huizen), en woorden op -⁠ing en -⁠heid zijn de (de tekening, de waarheid). Twijfel je, zoek het dan op in het Groene Boekje of op woordenlijst.org.

Wat is een lidwoord?

Een lidwoord is een klein woordje vóór een zelfstandig naamwoord. Het Nederlands heeft er drie: de, het en een. De en het gebruik je voor een bepaald ding, een voor een willekeurig ding.

Is het de of het meisje?

Het meisje. Meisje is een verkleinwoord: het eindigt op -⁠je. Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden, ook als het om een persoon gaat. Het meervoud is wel weer de: de meisjes.

Waarom vindt mijn kind de of het zo lastig?

Omdat er geen regel is die voor alle woorden werkt. Kinderen leren het vooral door het vaak te horen en te lezen. Voor kinderen die thuis ook een andere taal spreken is het extra lastig. Zeg het lidwoord daarom altijd mee als je een woord noemt.

Is het ook een lidwoord in het regent?

Nee. In het regent staat het niet vóór een zelfstandig naamwoord. Daar is het een persoonlijk voornaamwoord. Alleen in bijvoorbeeld het huis is het een lidwoord.

Past hier ook bij

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.