Pakketten

Woordsoorten oefenen

Woordsoorten zijn groepen woorden: zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord en meer. Welke woordsoort een woord is, hangt soms af van de zin: in ik fiets is fiets een werkwoord, in de fiets niet.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 4 tot en met 8

Welke woordsoort is het?

Welke woordsoort is het? Alles door elkaar. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over woordsoorten

Elk woord hoort bij een woordsoort. De woordsoort zegt wat het woord doet in de zin.

  • Zelfstandig naamwoord: een mens, dier of ding. De fiets, het huis.
  • Werkwoord: wat iemand doet of wat er gebeurt. Ik loop, het regent.
  • Bijvoeglijk naamwoord: hoe iets is. Een rode bal.
  • Voorzetsel: een klein woordje als op, in of met. Op de tafel.

Daarna komen het lidwoord, telwoord, voornaamwoord, bijwoord en voegwoord erbij.

Per woordsoort uitleg en oefenen

Wat zijn woordsoorten?

Elk woord in een zin hoort bij een woordsoort. De woordsoort zegt wat voor woord het is: een ding, iets wat je doet, hoe iets is, of een klein woordje dat de zin aan elkaar houdt. Op de basisschool leren kinderen ze stap voor stap, van groep 4 tot en met groep 8.

Belangrijk om te weten: hetzelfde woord kan in de ene zin een andere woordsoort zijn dan in de andere. In mijn fiets is nieuw is fiets een zelfstandig naamwoord. In ik fiets naar huis is het een werkwoord. Kijk dus altijd naar de hele zin.

Schrijf je bij elk woord in een zin welke woordsoort het is, dan heet dat taalkundig ontleden. Dat is iets anders dan zinsontleding, waarbij je naar stukken van de zin kijkt.

Alle woordsoorten van de basisschool

WoordsoortWat is het? Met voorbeelden
Zelfstandig naamwoordEen mens, dier, ding of plaats. Ook namen en gevoelens.
de fiets, het huis, Sara, plezier
LidwoordHet woordje voor een zelfstandig naamwoord.
de, het, een
Bijvoeglijk naamwoordZegt hoe iets is.
een rode bal, de soep is heet
WerkwoordWat iemand doet of wat er gebeurt. Ook zijn en hebben.
lopen, ik loop, het regent, hij is
TelwoordZegt hoeveel, of de hoeveelste.
drie, tien, eerste, derde
VoornaamwoordStaat in de plaats van een naam, of zegt van wie iets is.
ik, jij, wij, mijn, jouw, deze, die
VoorzetselEen klein woordje voor een zelfstandig naamwoord. Vaak een plek.
op, in, onder, met, tijdens
BijwoordZegt meer over wanneer, waar of hoe vaak iets gebeurt.
morgen, hier, vaak, nooit, graag
VoegwoordPlakt twee zinnen aan elkaar.
en, maar, want, omdat

Sommige methodes noemen ook het tussenwerpsel: een uitroep als au, hoera of hè.

De trucjes van school op een rij

Voor elke woordsoort leren kinderen een trucje. Dit zijn de trucjes die de meeste scholen gebruiken:

  • Zelfstandig naamwoord: kun je er de, het of een voor zetten? Kun je er meer van maken? De fiets, twee fietsen.
  • Werkwoord: zet ik ervoor, of verander de tijd. Ik loop, ik liep.
  • Bijvoeglijk naamwoord: vraag hoe het is. Hoe is de bal? Rood.
  • Voorzetsel: kun je het zeggen met de doos? In de doos, op de doos.

Per woordsoort lees je meer uitleg en vind je een eigen oefening bij de links hierboven.

De kleine hond rent naar het park.
kleine = bijvoeglijk naamwoord, rent = werkwoord,
naar = voorzetsel, park = zelfstandig naamwoord

Voornaamwoord, telwoord en bijwoord

Deze woordsoorten komen meestal later, in groep 6, 7 en 8.

Voornaamwoorden staan in de plaats van een naam. Er zijn verschillende soorten. Kinderen leren er meestal drie:

  • persoonlijk voornaamwoord: ik, jij, hij, zij, wij, jullie, mij, hem;
  • bezittelijk voornaamwoord: mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze;
  • aanwijzend voornaamwoord: deze, die, dit, dat.

Telwoorden zeggen hoeveel (drie, tien, honderd) of de hoeveelste (eerste, derde). Sommige scholen rekenen ook woorden als veel en weinig tot de telwoorden.

Bijwoorden zeggen meer over wanneer, waar of hoe vaak iets gebeurt: morgen, gisteren, hier, daar, vaak, nooit. Ook niet is een bijwoord. Het bijwoord is voor veel kinderen de lastigste woordsoort.

Wij fietsen morgen met drie vrienden naar onze school.
wij = voornaamwoord, morgen = bijwoord,
drie = telwoord, onze = voornaamwoord

Gratis werkbladen woordsoorten

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

In welke groep komt woordsoorten aan bod?

  • Groep 4Het zelfstandig naamwoord en het lidwoord (de, het, een). Vaak ook het werkwoord als doe-woord en het bijvoeglijk naamwoord.
  • Groep 5Zelfstandig naamwoord, werkwoord en bijvoeglijk naamwoord in zinnen. Op veel scholen ook het voorzetsel, met de doos.
  • Groep 6Telwoord en persoonlijk voornaamwoord. Bijvoeglijk naamwoord met groter en grootst. Ook het hele werkwoord en de persoonsvorm.
  • Groep 7Bijwoord, bezittelijk en aanwijzend voornaamwoord, en voegwoorden.
  • Groep 8Alle woordsoorten door elkaar, in langere zinnen. Een goede basis voor de brugklas.

Lastige punten bij woordsoorten

  • Kinderen kijken naar het woord en niet naar de zin. Fiets, werk en vissen kunnen een zelfstandig naamwoord of een werkwoord zijn. Laat ze altijd het trucje in de zin proberen.
  • Een en één worden door elkaar gehaald. Een vos (zonder streepjes) is een lidwoord. Eén vos, en niet twee, is een telwoord.
  • Het bijwoord is lastig, omdat het zoveel verschillende woorden zijn. Begin met woorden die zeggen wanneer (morgen, gisteren) en waar (hier, daar).
  • Kinderen leren veel namen tegelijk. Werk één woordsoort tegelijk af voordat je ze door elkaar oefent.

Tips om thuis met woordsoorten te oefenen

  • Kies een zin uit een leesboek en geef elke woordsoort een kleur. Zelfstandige naamwoorden blauw, werkwoorden rood, bijvoeglijke naamwoorden groen.
  • Speel woordsoortenbingo: noem om de beurt een woord, de ander zegt welke woordsoort het is.
  • Maak samen gekke zinnen: kies een zelfstandig naamwoord, een werkwoord en een bijvoeglijk naamwoord, en maak er een zin van.
  • Oefen kort, vijf minuten per keer is genoeg. Liever vaak even dan één keer lang.
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over woordsoorten

Welke woordsoorten zijn er?

Op de basisschool leren kinderen het zelfstandig naamwoord, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, telwoord, voornaamwoord, voorzetsel, bijwoord en voegwoord. Sommige methodes noemen ook het tussenwerpsel, zoals au of hoera.

In welke groep leer je woordsoorten?

Meestal beginnen kinderen in groep 4 met het zelfstandig naamwoord, het lidwoord en het werkwoord, vaak ook al met het bijvoeglijk naamwoord. In groep 5 en 6 komen het voorzetsel, het telwoord en het persoonlijk voornaamwoord erbij. In groep 7 en 8 volgen het bijwoord, de andere voornaamwoorden en het voegwoord. In het taalschrift zie je welke woordsoort nu aan de beurt is.

Wat is het verschil tussen woordsoorten en zinsontleding?

Bij woordsoorten kijk je naar elk woord apart: is het een werkwoord of een zelfstandig naamwoord? Bij zinsontleding kijk je naar stukken van de zin, zoals het onderwerp en de persoonsvorm. Woordsoorten komen meestal eerst.

Wat is taalkundig ontleden?

Bij taalkundig ontleden zet je bij elk woord in een zin welke woordsoort het is. In De kat slaapt op de bank: de (lidwoord), kat (zelfstandig naamwoord), slaapt (werkwoord), op (voorzetsel), de (lidwoord), bank (zelfstandig naamwoord). Kijk je naar zinsdelen, zoals het onderwerp en de persoonsvorm, dan heet dat redekundig ontleden.

Kan een woord bij twee woordsoorten horen?

Ja, dat kan. Het hangt af van de zin. In de fiets is nieuw is fiets een zelfstandig naamwoord, in ik fiets naar huis een werkwoord. Daarom leren kinderen het trucje altijd in de zin te proberen.

Hoe oefen ik woordsoorten met mijn kind?

Begin met één woordsoort tegelijk, meestal het zelfstandig naamwoord. Gebruik de trucjes van school en zinnen uit boeken die je kind leest. Als dat goed gaat, oefen je ze door elkaar, zoals in de oefening bovenaan.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.