Pakketten

Persoonlijk voornaamwoord

Een persoonlijk voornaamwoord is een woord dat in de plaats van een naam staat, zoals ik, jij, hij, hem of ons. Vaak gaat het mis bij ik of mij: Sanne en ik gaan naar het strand, maar Sanne gaat met mij.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 6 tot en met 8

Persoonlijk voornaamwoord oefenen

Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over het persoonlijk voornaamwoord

  • Een persoonlijk voornaamwoord staat in de plaats van een persoon of ding: Tim fietst wordt hij fietst.
  • Als onderwerp: ik, jij, je, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij, ze.
  • Niet als onderwerp: mij, me, jou, je, u, hem, haar, het, ons, jullie, hen, hun, ze.
  • Pas op: mijn, jouw, zijn en onze zijn geen persoonlijke maar bezittelijke voornaamwoorden. Zich is een wederkerend voornaamwoord.

Wat is een persoonlijk voornaamwoord?

Een voornaamwoord is een woord dat je gebruikt in plaats van een naam. Je zegt niet steeds Tim fietst. Tim is snel. Ik zie Tim. maar Tim fietst. Hij is snel. Ik zie hem. Hij en hem zijn persoonlijke voornaamwoorden.

Ze heten persoonlijk omdat ze bij een persoon horen: ik, jij, hij, wij. Maar ze kunnen ook voor een ding staan: Waar is mijn fiets? Hij staat buiten.

Tim fietst. → Hij fietst.
Ik zie Tim. → Ik zie hem.
Lisa en ik spelen. → Wij spelen.

Ik of mij? Twee vormen

De meeste persoonlijke voornaamwoorden hebben twee vormen. De ene gebruik je als het woord het onderwerp is: wie doet het? De andere gebruik je op alle andere plekken, bijvoorbeeld achter een voorzetsel (met mij, voor hem).

Als onderwerpNiet als onderwerp
1 persoonikmij, me
jij, je, ujou, je, u
hij, zij, ze, hethem, haar, ze, het
meer personenwij, weons
julliejullie
zij, zehen, hun, ze

Hen of hun? Dat leren kinderen meestal in groep 8. Hun gebruik je als iemand iets krijgt, zonder aan ervoor: Ik geef hun een snoepje. In alle andere gevallen is het hen: Ik zie hen, Ik geef het aan hen. En hun hebben is altijd fout: dat moet zij hebben zijn.

Bezittelijk en wederkerend: lijkt erop, maar is anders

Kinderen leren naast het persoonlijk voornaamwoord meestal nog twee andere soorten:

  • Bezittelijk voornaamwoord: zegt van wie iets is. Mijn, jouw, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord: mijn fiets, hun auto.
  • Wederkerend voornaamwoord: wijst terug naar het onderwerp. Me, je, zich, ons. Hij wast zich: hij wast zichzelf. Je ziet het bij werkwoorden als zich vergissen, zich haasten en zich vervelen.

Lastig is dat sommige woorden in meer rijtjes staan, zoals haar, ons, je, jullie en hun. Kijk dan naar de zin. Staat er een ding achter? Dan is het meestal bezittelijk: haar tas. Staat het woord alleen? Dan is het persoonlijk: ik zie haar.

Ik zie haar. (persoonlijk)
Dat is haar tas. (bezittelijk)
Wij helpen ons buurmeisje. (bezittelijk)
Wij schamen ons. (wederkerend)

Gratis werkbladen persoonlijk voornaamwoord

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

  • Zoek het persoonlijk voornaamwoordgroep 6 en 7, pdf met antwoordenGratis printen
  • Ik of mij?groep 6 tot en met 8, pdf met antwoordenGratis printen
  • Persoonlijk, bezittelijk of wederkerend?groep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen

In welke groep komt het persoonlijk voornaamwoord aan bod?

  • Groep 6Op veel scholen komt het persoonlijk voornaamwoord in groep 6, als woordsoort: ik, jij, hij, wij, en mij, hem, ons.
  • Groep 7Het verschil met het bezittelijk voornaamwoord, en de goede vorm kiezen: ik of mij, hij of hem.
  • Groep 8Hen of hun, het wederkerend voornaamwoord en de andere soorten voornaamwoorden. Het verschilt per school hoeveel soorten aan bod komen.

Lastige punten bij het persoonlijk voornaamwoord

  • Kinderen zien haar of ons en denken altijd aan een persoonlijk voornaamwoord. Laat ze kijken of er een ding achter staat: haar tas is bezittelijk.
  • In spreektaal zeggen kinderen hun hebben of hun komen. Zeg erbij: als onderwerp is het altijd zij. Zij hebben, zij komen.
  • Bij hen en hun raken ook volwassenen in de war. Leer je kind de korte regel: krijgen ze iets, zonder aan? Dan hun. Anders hen. En als het onderwerp is: zij.

Tips om thuis met het persoonlijk voornaamwoord te oefenen

  • Vertel om de beurt een kort verhaal over iemand uit de familie, zonder de naam twee keer te zeggen. Welke woorden gebruik je in de plaats van de naam?
  • Laat je kind in een leesboek alle woorden zoeken die in de plaats van een naam staan. Over wie gaat het steeds?
  • Oefen ik of mij met een vraagspelletje: wie wil een koekje? Ik! Voor wie is dit koekje? Voor mij!
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over het persoonlijk voornaamwoord

Wat is een persoonlijk voornaamwoord?

Een woord dat in de plaats van een naam staat, zoals ik, jij, hij, zij, wij, mij, hem, haar en ons. In Tim fietst. Hij is snel. staat hij in de plaats van Tim.

Welke persoonlijke voornaamwoorden zijn er?

Als onderwerp: ik, jij, je, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij, ze. Niet als onderwerp: mij, me, jou, je, u, hem, haar, het, ons, jullie, hen, hun, ze.

Is het hen of hun?

Hun gebruik je als iemand iets krijgt, zonder aan ervoor: Ik geef hun een boek. Anders schrijf je hen: Ik zie hen, Ik geef het aan hen. Als onderwerp is het altijd zij: Zij hebben gewonnen, niet hun hebben.

Wat is het verschil tussen een persoonlijk en een bezittelijk voornaamwoord?

Een persoonlijk voornaamwoord staat in de plaats van een persoon: ik zie haar. Een bezittelijk voornaamwoord zegt van wie iets is en staat vóór een zelfstandig naamwoord: haar tas, mijn fiets.

Wat is een wederkerend voornaamwoord?

Een voornaamwoord dat terugwijst naar het onderwerp: me, je, zich, ons. Hij wast zich betekent: hij wast zichzelf. Je ziet het bij werkwoorden als zich vergissen en zich haasten.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 6, groep 7 en groep 8.