Pakketten

Verleden tijd maken en spellen

De verleden tijd gebruik je voor iets wat al voorbij is: gisteren fietste ik, vorige week liep ik. Hier lees je hoe je kind de verleden tijd maakt, wanneer er -⁠te of -⁠de achter komt en welke werkwoorden zich niet aan de regel houden.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 5 tot en met 8

Verleden tijd oefenen

Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip met de regel.

Vraag 10 goed

Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Kort uitgelegd: de verleden tijd

Soort werkwoordZo maak je de verleden tijdVoorbeeld
Zwak (regelmatig)stam + -⁠te of -⁠de, meer dan één: -⁠ten of -⁠denik fietste, wij woonden
Sterkde klank verandert, er komt niets achterik liep, wij liepen
Onregelmatiguit je hoofd lerenik was, ik had, ik kocht

Wat is de verleden tijd?

Een werkwoord kan laten horen of iets nu gebeurt of vroeger. Nu is de tegenwoordige tijd: ik fiets. Vroeger is de verleden tijd: ik fietste. Het werkwoord dat van vorm verandert, is de persoonsvorm.

Twijfelt je kind of een zin in de verleden tijd staat? Zet er dan gisteren of vandaag voor. Past gisteren zonder dat je iets hoeft te veranderen, dan staat de zin al in de verleden tijd.

Voor de spelling is het belangrijk om te weten in welke tijd een zin staat. Bij de werkwoordspelling is dat altijd een van de eerste stappen.

Vandaag bak ik een taart. (nu)
Gisteren bakte ik een taart. (vroeger)
Vandaag zwemt Noor. (nu)
Gisteren zwom Noor. (vroeger)

Verleden tijd maken in vier stappen

Bij de meeste werkwoorden maak je de verleden tijd volgens een vaste regel. Dat zijn de zwakke werkwoorden. Laat je kind deze stappen volgen:

  1. Zeg het met gisteren. Hoor je een andere klank, zoals lopen, liep? Dan is het een sterk werkwoord en hoef je niet verder te rekenen. Blijft de klank gelijk, ga dan door.
  2. Maak de stam. Haal -⁠en van het hele werkwoord af en schrijf het goed: maken wordt maak, kloppen wordt klop.
  3. Kijk naar de laatste letter. Zit die in 't kofschip? Dan komt er -⁠te achter. Anders -⁠de.
  4. Eén of meer? Gaat het over meer dan één, zoals wij, jullie of de kinderen? Dan wordt het -⁠ten of -⁠den.

maken → stam maak → k zit in 't kofschip → ik maakte, wij maakten
horen → stam hoor → r zit er niet in → ik hoorde, wij hoorden

-⁠te of -⁠de in de verleden tijd

Eindigt de stam op een t, k, f, s, ch of p, dan komt er -⁠te achter, anders -⁠de. Ezelsbruggetjes zijn 't kofschip en 't fokschaap. Veel scholen tellen er ook de x bij. Hoe dat werkt, met de uitzonderingen voor de v en de z, lees je bij 't kofschip.

Een stam die al op t of d eindigt

Dan schrijf je twee keer dezelfde letter, ook al hoor je er maar één: praat + te = praatte, land + de = landde. Zo zie je ook het verschil met de tegenwoordige tijd: wij praten (nu) en wij praatten (vroeger).

stoppen → stop → ik stopte
bouwen → bouw → ik bouwde
praten → praat → wij praatten
landen → land → het vliegtuig landde

Sterke werkwoorden in de verleden tijd

Een flink aantal werkwoorden volgt 't kofschip niet. In de verleden tijd verandert de klank in het woord en komt er niets achter: zingen wordt zong, rijden wordt reed. Dat zijn de sterke werkwoorden. Je kind moet ze uit het hoofd kennen.

Twee dingen gaan vaak mis:

  • Geen t erachter. Het is hij vond, jij werd en zij reed. Een sterk werkwoord in de verleden tijd krijgt nooit een extra t, ook niet bij jij of hij.
  • De klank in het meervoud. Bij meer dan één wordt de korte klank soms lang: ik las, wij lazen. Ik at, wij aten. Ik gaf, wij gaven.

ik las, wij lazen
ik reed, wij reden
hij vond, zij vonden
hij werd, zij werden

Onvoltooid en voltooid verleden tijd

Op school heet de gewone verleden tijd vaak gewoon verleden tijd. In groep 7 en 8 leren veel kinderen ook de officiële namen van de vier tijden. Het verschil zit in de vraag of er een vorm van hebben of zijn met een voltooid deelwoord in de zin staat.

TijdAfkortingVoorbeeld
onvoltooid tegenwoordige tijdottik fiets
onvoltooid verleden tijdovtik fietste
voltooid tegenwoordige tijdvttik heb gefietst
voltooid verleden tijdvvtik had gefietst

De voltooid verleden tijd gebruik je voor iets wat nog eerder gebeurd was dan iets anders in het verleden: toen wij aankwamen, was de film al begonnen.

Wat is de verleden tijd van stelen, varen of lezen?

Deze werkwoorden worden vaak opgezocht. Bij de sterke werkwoorden staat ook het meervoud, omdat de klank daar soms verandert.

Hele werkwoordVerleden tijd (één)Verleden tijd (meer)Soort
stelenstalstalensterk
varenvoervoerensterk
metenmatmatensterk
lezenlaslazensterk
rijdenreedredensterk
genezengenasgenazensterk
gravengroefgroevensterk
biddenbadbadensterk
vallenvielvielensterk
zeggenzeizeidenonregelmatig
willenwilde of wouwildenonregelmatig
zullenzouzoudenonregelmatig
stofzuigenstofzuigdestofzuigdenzwak
ervenerfdeerfdenzwak
reizenreisdereisdenzwak
pratenpraattepraattenzwak
juichenjuichtejuichtenzwak

Gratis werkbladen verleden tijd

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

De verleden tijd: wat leert je kind in welke groep?

  • Groep 5Kinderen leren het verschil tussen nu en vroeger horen, en zetten een zin om met gisteren. Op veel scholen komen de eerste sterke werkwoorden al voorbij.
  • Groep 6De verleden tijd van zwakke werkwoorden met 't kofschip: -⁠te of -⁠de, en -⁠ten of -⁠den bij meer dan één.
  • Groep 7De valkuilen: werkwoorden met een v of z (reisde), een stam op t of d (praatte, landde) en sterke werkwoorden zonder t (hij vond).
  • Groep 8Alles door elkaar, de namen van de vier tijden en de voltooid verleden tijd. Komt terug op de doorstroomtoets.

Lastige punten bij de verleden tijd

  • Kinderen schrijven wat ze horen. Bij krabde hoor je een p en bij landde maar één d. Laat je kind daarom altijd eerst de stam opschrijven en dan pas de regel toepassen.
  • Wij praten en wij praatten klinken bijna hetzelfde. Vraag je kind: gaat het over nu of over vroeger? Bij vroeger komt er -⁠te achter de stam, dus twee t's.
  • Bij reizen en verven pakken kinderen de s of f van de stam en schrijven reiste of verfte. Laat ze bij een stam op f of s even terugkijken naar het hele werkwoord.
  • Na het leren van stam + t schrijven sommige kinderen hij vondt of hij werdt. Leg uit dat een sterk werkwoord in de verleden tijd nooit een t extra krijgt.

Thuis aan de slag met de verleden tijd

  • Vertel om de beurt wat je gisteren hebt gedaan, in korte zinnen met de verleden tijd. Schrijf twee of drie werkwoorden op en kijk samen of er -⁠te of -⁠de achter hoort.
  • Plak een briefje met 't kofschip op de koelkast. Noem bij het eten een werkwoord, en je kind zegt de verleden tijd en of het -⁠te of -⁠de wordt.
  • Lees een stukje uit een leesboek dat in de verleden tijd geschreven is. Laat je kind alle werkwoorden in de verleden tijd zoeken en verdelen in sterk en zwak.
  • Hou het kort: tien minuten een paar keer per week werkt beter dan een uur op zondag.
Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Vragen over de verleden tijd

Hoe maak je de verleden tijd?

Zeg het werkwoord met gisteren. Verandert de klank, dan is het een sterk werkwoord (lopen, liep). Blijft de klank gelijk, maak dan de stam en kijk of de laatste letter in 't kofschip zit. Ja: stam + te (fietste). Nee: stam + de (woonde). Bij meer dan één wordt het -⁠ten of -⁠den.

Hoe weet je of een zin in de verleden tijd staat?

Zoek de persoonsvorm en zet er in gedachten gisteren of vandaag voor. Past gisteren zonder dat je het werkwoord verandert? Dan staat de zin in de verleden tijd. Je kunt ook de zin in de andere tijd zetten: het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

Wat is het verschil tussen de voltooide tijd en de verleden tijd?

In de verleden tijd staat alleen het werkwoord zelf in een vorm van vroeger: ik fietste. In de voltooide tijd gebruik je hebben of zijn met een voltooid deelwoord: ik heb gefietst. In het dagelijks praten betekenen ze vaak bijna hetzelfde.

Wat is de verleden tijd van stelen?

Stal, en bij meer dan één stalen: de dief stal een fiets, de dieven stalen twee fietsen. Het voltooid deelwoord is gestolen. Stelen is een sterk werkwoord, dus er komt geen -⁠te of -⁠de achter.

Waarom is het reisde en niet reiste?

De stam van reizen is reis, maar bij een stam op s of f kijk je naar het hele werkwoord. Daar staat een z, en die zit niet in 't kofschip. Daarom wordt het reisde. Zo ook: verhuisde, leefde en verfde.

Hierna oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.