Meewerkend voorwerp vinden
Het meewerkend voorwerp is de persoon (of het ding) die iets krijgt: Ik geef mijn moeder een kus. Je vindt het met de vraag aan wie of voor wie. Lastig wordt het als er geen aan of voor in de zin staat, zoals in dit voorbeeld.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 7 en 8
Meewerkend voorwerp oefenen
Lees de zin en kies het meewerkend voorwerp. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: het meewerkend voorwerp
- Het meewerkend voorwerp is aan wie of voor wie iets gegeven, verteld of gemaakt wordt.
- Soms staat er aan of voor bij (aan Sanne), soms niet (Ik geef Sanne de bal).
- Meestal staat er ook een lijdend voorwerp in de zin: wat er gegeven wordt.
- Niet alles met aan of voor is een meewerkend voorwerp. Aan de muur is een plek.
Wat is het meewerkend voorwerp?
In zinnen met werkwoorden zoals geven, sturen, vertellen, lenen en kopen krijgt iemand iets. Die persoon is het meewerkend voorwerp. In Tim geeft de bal aan Sanne krijgt Sanne de bal. Aan Sanne is het meewerkend voorwerp, en de bal is het lijdend voorwerp.
Het meewerkend voorwerp is meestal een persoon of een dier, maar soms ook een ding: Mama geeft de planten water.
Tim geeft de bal aan Sanne.
Ik geef mijn moeder een kus.
Ik bak een taart voor oma.
Het trucje: aan wie of voor wie?
Veel scholen leren deze volgorde:
- Zoek de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde.
- Zoek het lijdend voorwerp: wie of wat + gezegde + onderwerp?
- Vraag dan: aan wie of voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Het antwoord is het meewerkend voorwerp.
Staat er geen aan of voor in de zin? Probeer het er dan bij te denken. Oma stuurt mij een kaart wordt Oma stuurt een kaart aan mij. Dus mij is het meewerkend voorwerp.
Zin: De juf leest de klas een verhaal voor.
Gezegde: leest voor, onderwerp: de juf
Lijdend voorwerp: wat leest de juf voor? een verhaal
Aan wie leest de juf een verhaal voor? de klas
Aan en voor zijn niet altijd een meewerkend voorwerp
Kinderen leren vaak: aan of voor betekent meewerkend voorwerp. Dat klopt niet altijd. In Ik hang mijn jas aan de kapstok krijgt de kapstok niets: het is een plek. Dat is een bijwoordelijke bepaling. Hetzelfde geldt voor De kat ligt voor de kachel.
Een goede vraag is: krijgt deze persoon of dit ding iets, of gebeurt het voor hem? Dan is het een meewerkend voorwerp. Zegt het waar, wanneer of waarom? Dan niet.
Bij voor verschilt het een beetje per school. Veel scholen rekenen Ik bak een taart voor oma tot het meewerkend voorwerp, omdat je ook kunt zeggen: Ik bak oma een taart. Vraag het bij twijfel aan de leerkracht.
Ik geef de jas aan papa. (papa krijgt iets: meewerkend voorwerp)
Ik hang de jas aan de kapstok. (een plek: geen meewerkend voorwerp)
Gratis werkbladen meewerkend voorwerp vinden
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Makkelijkgroep 7, pdf met antwoordenGratis printen
- Moeilijkergroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Wel of geen meewerkend voorwerpgroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
Het meewerkend voorwerp: wat leert je kind in welke groep?
Waar kinderen bij het meewerkend voorwerp vaak op vastlopen
- Kinderen kiezen het lijdend voorwerp in plaats van het meewerkend voorwerp. Laat ze eerst vragen wat er gegeven wordt, en daarna aan wie.
- Staat er geen aan of voor in de zin, dan zien kinderen het meewerkend voorwerp niet. Laat ze aan of voor erbij denken: Oma stuurt een kaart aan mij.
- Kinderen denken dat alles met aan of voor een meewerkend voorwerp is, ook aan de muur of voor de deur. Vraag: krijgt het iets, of is het een plek?
Thuis aan de slag met het meewerkend voorwerp
- Maak het concreet. Geef je kind iets en zeg: ik geef jou een appel. Wat geef ik? Aan wie? Zo voel je het verschil tussen lijdend en meewerkend voorwerp.
- Bedenk samen zinnen met geven, lenen, sturen en vertellen. Laat je kind de zin omdraaien met aan erin.
- Oefen eerst het lijdend voorwerp goed. Het meewerkend voorwerp is veel makkelijker als je kind dat al snel vindt.
Vragen over het meewerkend voorwerp
Wat is een meewerkend voorwerp?
Het zinsdeel dat zegt aan wie of voor wie iets gegeven, verteld of gemaakt wordt. In Ik geef mijn moeder een kus is mijn moeder het meewerkend voorwerp.
Hoe vind je het meewerkend voorwerp?
Zoek eerst het gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp. Vraag dan: aan wie of voor wie? In Tim geeft de bal aan Sanne: aan wie geeft Tim de bal? Aan Sanne.
Moet er altijd aan of voor bij een meewerkend voorwerp staan?
Nee. In Oma stuurt mij een kaart staat er geen aan, maar je kunt het er wel bij denken: oma stuurt een kaart aan mij. Dus mij is het meewerkend voorwerp.
In welke groep leer je het meewerkend voorwerp?
Meestal in groep 7, nadat kinderen het onderwerp en het lijdend voorwerp kennen. In groep 8 wordt het herhaald bij het ontleden van hele zinnen. Dit verschilt per school.
Hierna oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 7 en groep 8.


