Zinsontleding oefenen
Bij zinsontleding, ook wel redekundig ontleden, knip je een zin in stukken en geef je elk stuk een naam. Dat gaat het best met een vast stappenplan. Veel scholen beginnen bij de persoonsvorm, dan het onderwerp en dan het gezegde.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 6 tot en met 8
Zinsontleding oefenen
Alle zinsdelen door elkaar. Bij een fout krijg je een tip.
Het belangrijkste over zinsontleding
De volgorde die veel scholen gebruiken:
- Persoonsvorm: tijdproef of vraagproef.
- Onderwerp: wie of wat + persoonsvorm?
- Gezegde: alle werkwoorden samen.
- Lijdend voorwerp: wie of wat + gezegde + onderwerp?
- Meewerkend voorwerp: aan wie of voor wie?
- Bijwoordelijke bepaling: wat overblijft (waar, wanneer, hoe).
Oefen één zinsdeel apart
- PersoonsvormHet werkwoord dat verandert als je de tijd verandertgroep 6 tot en met 8
- OnderwerpWie of wat + gezegde? Het zinsdeel dat iets doetgroep 6 tot en met 8
- Werkwoordelijk gezegdeAlle werkwoorden in de zin samengroep 7 en 8
- Naamwoordelijk gezegdeKoppelwerkwoord + wat of hoe het onderwerp isgroep 7 en 8
- Lijdend voorwerpWie of wat + gezegde + onderwerp?groep 6 tot en met 8
- Meewerkend voorwerpAan wie of voor wie?groep 7 en 8
- Bijwoordelijke bepalingWaar, wanneer, hoe of waarom?groep 7 en 8
Wat is zinsontleding of redekundig ontleden?
Bij zinsontleding (ook wel redekundig ontleden) verdeel je een zin in zinsdelen en zeg je wat elk zinsdeel doet. Een zinsdeel is een woord of een groepje woorden dat bij elkaar hoort. Je kunt het zinsdeel als geheel naar voren schuiven en dan blijft het een goede zin. Dat heet de verschuifproef.
Kinderen leren dit omdat ze dan beter snappen hoe een zin in elkaar zit. Dat helpt bij de werkwoordspelling, bij leestekens en bij het schrijven van goede zinnen.
Gisteren / speelde / Sam / met zijn hond / in het park.
In het park / speelde / Sam / gisteren / met zijn hond.
De zinsdelen blijven bij elkaar, ook als je ze verschuift.
Het stappenplan: altijd in dezelfde volgorde
De volgorde is belangrijk, want elke stap gebruikt de vorige. Veel scholen doen het zo:
- Persoonsvorm. Zet de zin in een andere tijd (tijdproef) of maak er een vraag van (vraagproef). Lees meer bij persoonsvorm.
- Onderwerp. Vraag: wie of wat + persoonsvorm?
- Gezegde. Alle werkwoorden in de zin samen. Dit heet ook het werkwoordelijk gezegde.
- Lijdend voorwerp. Vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp? Lees meer bij lijdend voorwerp.
- Meewerkend voorwerp. Vraag: aan wie of voor wie? Lees meer bij meewerkend voorwerp.
- Bijwoordelijke bepaling. De zinsdelen die overblijven. Ze zeggen meestal waar, wanneer, hoe of waarom.
Niet elke zin heeft alle zinsdelen. Een persoonsvorm en een onderwerp zijn er bijna altijd.
Een zin helemaal ontleed
Zo ziet het eruit als je alle stappen doet:
Gisteren heeft Lisa haar oma een tekening gegeven.
| Stap en vraag | Zinsdeel |
|---|---|
| Persoonsvorm Welk werkwoord verandert van tijd? | heeft |
| Onderwerp Wie heeft? | Lisa |
| Gezegde Alle werkwoorden samen | heeft gegeven |
| Lijdend voorwerp Wat heeft Lisa gegeven? | een tekening |
| Meewerkend voorwerp Aan wie? | haar oma |
| Bijwoordelijke bepaling Wat blijft over? Het zegt wanneer. | gisteren |
Verschilt het per school?
De stappen zijn bijna overal hetzelfde, maar de namen en het moment verschillen. Sommige scholen beginnen in groep 5 al met de persoonsvorm en het onderwerp. Andere scholen doen het lijdend en meewerkend voorwerp pas in groep 7. In groep 8 leren sommige kinderen ook het naamwoordelijk gezegde, bij zinnen met is, wordt of blijft: Oma wordt tachtig.
Gebruik thuis de woorden die je kind op school hoort. Kijk in het schrift of vraag het de leerkracht.
Gratis werkbladen zinsontleding
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Welk zinsdeel staat tussen de haakjes?groep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
In welke groep komt zinsontleding aan bod?
- Groep 6De persoonsvorm en het onderwerp, en zinnen in zinsdelen verdelen. Op sommige scholen ook al het lijdend voorwerp.
- Groep 7Het gezegde, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp.
- Groep 8Hele zinnen ontleden, met de bijwoordelijke bepaling erbij. Soms ook het naamwoordelijk gezegde. Komt terug in de doorstroomtoets.
Sommige scholen bewaren het naamwoordelijk gezegde en het meewerkend voorwerp voor de brugklas.
Veelgemaakte fouten bij zinsontleding
- Kinderen slaan stappen over en gokken. Vooral bij zinnen die niet met het onderwerp beginnen gaat het dan mis. Laat ze altijd met de persoonsvorm beginnen.
- Kinderen knippen een zinsdeel in stukken, bijvoorbeeld de jongen / met de pet. Gebruik de verschuifproef: wat samen naar voren kan, hoort bij elkaar.
- Lijdend en meewerkend voorwerp worden vaak verwisseld. Vraag eerst wat er gegeven wordt, en dan pas aan wie.
Tips om thuis met zinsontleding te oefenen
- Schrijf een zin op een strook papier en knip hem samen in zinsdelen. Schuif de stukken om: welke volgordes kunnen nog?
- Gebruik kleuren: rood voor de persoonsvorm, blauw voor het onderwerp, groen voor het lijdend voorwerp. Veel scholen werken ook met kleuren of tekens. Kijk in het schrift welke je kind gebruikt.
- Oefen kort en vaak met zinnen uit een leesboek. Twee of drie zinnen per keer is genoeg.
Wat ouders vragen over zinsontleding
Wat is zinsontleding?
Zinsontleding (of redekundig ontleden) is een zin verdelen in zinsdelen en die een naam geven: persoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling.
In welke volgorde ontleed je een zin?
Begin met de persoonsvorm, dan het onderwerp, dan het gezegde. Daarna zoek je het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Wat overblijft, zijn bijwoordelijke bepalingen.
Wat is het verschil tussen redekundig en taalkundig ontleden?
Bij redekundig ontleden (zinsontleding) kijk je naar zinsdelen: wat doet elk stuk in de zin? Bij taalkundig ontleden kijk je naar losse woorden en welke woordsoort ze zijn, zoals zelfstandig naamwoord of werkwoord.
In welke groep leer je zinsontleding?
Meestal vanaf groep 6, en soms in groep 5 al met de persoonsvorm en het onderwerp. In groep 7 en 8 komen het lijdend en meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling erbij. Dit verschilt per school.
Verder oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 6, groep 7 en groep 8.
