Werkwoord oefenen
Een werkwoord zegt wat iemand doet of wat er gebeurt, zoals lopen, lachen of regenen. Op school leren kinderen er twee trucjes voor: zet er ik voor, of verander de tijd.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 4 tot en met 8
Zoek het werkwoord
Klik op het werkwoord, of kies het hele werkwoord. Bij een fout krijg je een tip.
Het belangrijkste over het werkwoord
Een werkwoord vertelt wat iemand doet of wat er gebeurt. In groep 4 heet het vaak een doe-woord.
- Trucje 1: zet ik, jij of wij ervoor: ik loop, jij lacht.
- Trucje 2: verander de tijd. Het woord dat verandert, is een werkwoord: ik loop, ik liep.
- Ook zijn en hebben zijn werkwoorden: ik ben, ik heb.
Wat is een werkwoord?
Een werkwoord zegt wat iemand doet of wat er gebeurt: lopen, lachen, schrijven, regenen. In groep 4 heet het vaak een doe-woord, omdat je het vaak kunt nadoen.
Niet elk werkwoord kun je nadoen. Ook zijn, hebben en worden zijn werkwoorden: ik ben negen, ik heb een hond. Daarom leren kinderen al snel de trucjes hieronder, want die werken ook bij deze woorden.
De hond rent. → wat doet de hond?
Het regent. → wat gebeurt er?
Ik ben moe. → ook een werkwoord
Trucje 1: zet ik, jij of wij ervoor
Kun je er ik, jij, hij of wij voor zetten? Dan is het een werkwoord. Ik loop, jij loopt, wij lopen. Bij een zelfstandig naamwoord klinkt dat raar: ik tafel zeg je niet.
Let op: bij sommige woorden werkt dit trucje allebei. Ik fiets klinkt goed, maar de fiets ook. Kijk dan naar de zin, of gebruik trucje 2.
ik loop ✓ jij lacht ✓ wij zingen ✓
ik tafel ✗ jij groen ✗
Trucje 2: verander de tijd
Zeg de zin één keer met vandaag en één keer met gisteren. Het woord dat verandert, is een werkwoord. Vandaag loop ik naar school. Gisteren liep ik naar school. Loop werd liep, dus loop is het werkwoord.
Dit trucje werkt bijna altijd, ook bij zijn en hebben (ik ben, ik was) en bij lastige zinnen als de vissen zwemmen. Vissen verandert niet, zwemmen wordt zwommen. Hetzelfde trucje gebruiken kinderen later voor de persoonsvorm.
Vandaag loop ik naar school.
Gisteren liep ik naar school.
Het hele werkwoord
Vanaf groep 5 leren kinderen het hele werkwoord. Dat is de vorm die in het woordenboek staat: lopen, zijn, hebben, schrijven. In de grammatica heet het de infinitief.
Een handig trucje: zeg de zin met wij, in de tijd van nu. Hij liep wordt wij lopen. Wat achter wij staat, is het hele werkwoord. Het hele werkwoord heb je nodig bij werkwoordspelling, bijvoorbeeld om te weten of je een d of een t schrijft.
hij liep → wij lopen → lopen
ik was → wij zijn → zijn
zij schreef → wij schrijven → schrijven
Meer werkwoorden in één zin
In groep 6, 7 en 8 krijgen kinderen zinnen met twee of drie werkwoorden: ik ga morgen zwemmen of wij hebben een taart gebakken. Alle werkwoorden samen heten het werkwoordelijk gezegde. Het werkwoord dat verandert als je de tijd verandert, is de persoonsvorm. Meer daarover lees je bij zinsontleding.
Gratis werkbladen werkwoord
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Makkelijkgroep 4 en 5, pdf met antwoordenGratis printen
- Moeilijkergroep 5 en 6, pdf met antwoordenGratis printen
- Hele werkwoordgroep 5 en 6, pdf met antwoordenGratis printen
In welke groep komt het werkwoord aan bod?
- Groep 4Werkwoorden herkennen als doe-woorden, met het trucje ik ervoor zetten.
- Groep 5De tijd veranderen als trucje, ook bij zijn en hebben. Het hele werkwoord.
- Groep 6De persoonsvorm vinden, en de eerste regels van werkwoordspelling.
- Groep 7 en 8Zinnen met meer werkwoorden, het voltooid deelwoord en de werkwoordspelling in alle tijden.
Waar kinderen bij het werkwoord vaak op vastlopen
- Kinderen denken dat alleen dingen die je kunt doen werkwoorden zijn. Is en heeft vergeten ze dan. Laat ze de tijd veranderen: is wordt was, dus is is een werkwoord.
- Woorden als fietsen, vissen of werk kunnen ook een zelfstandig naamwoord zijn. In de vissen zwemmen is vissen geen werkwoord. Ook hier helpt de tijd veranderen: welk woord verandert er?
- In een vraag staat het werkwoord vooraan: lees jij dit boek? Kinderen zoeken dan verderop in de zin. Laat ze de vraag eerst omdraaien: jij leest dit boek.
- Bij het hele werkwoord van onregelmatige werkwoorden gaat het mis: van liep maken ze liepen. Een zinnetje met wij in de tijd van nu helpt: wij lopen.
Tips om thuis werkwoorden te leren herkennen
- Speel uitbeelden: je kind doet een werkwoord na, jij raadt het. Daarna wissel je om.
- Vraag bij het avondeten: wat heb je vandaag gedaan? Tel samen de werkwoorden in het antwoord.
- Zeg een zin met vandaag en laat je kind hem met gisteren zeggen. Welk woord veranderde?
- Neem een zin uit een leesboek en laat je kind het werkwoord aanwijzen.
Wat ouders vragen over het werkwoord
Wat is een werkwoord?
Een werkwoord zegt wat iemand doet of wat er gebeurt, zoals lopen, lachen of regenen. Ook zijn, hebben en worden zijn werkwoorden. In groep 4 heet het vaak een doe-woord.
Hoe herken je een werkwoord?
Zet ik, jij of wij ervoor: ik loop, jij lacht. Of verander de tijd van de zin, van vandaag naar gisteren. Het woord dat verandert, is een werkwoord: ik loop, ik liep.
Wat is het hele werkwoord?
Het hele werkwoord is de vorm uit het woordenboek, zoals lopen, zijn of schrijven. Je vindt het door de zin met wij te zeggen in de tijd van nu: hij liep wordt wij lopen. Het hele werkwoord is dan lopen.
Is is een werkwoord?
Ja. Is komt van het werkwoord zijn: ik ben, jij bent, hij is. Je ziet het als je de tijd verandert: hij is ziek, hij was ziek. Kinderen vergeten het vaak, omdat je is niet kunt nadoen.
Wat is het verschil tussen een werkwoord en de persoonsvorm?
De persoonsvorm is één van de werkwoorden in de zin: het werkwoord dat verandert als je de tijd verandert. In ik ga zwemmen zijn ga en zwemmen allebei werkwoorden, maar alleen ga is de persoonsvorm.
Verder oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 4, groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.


