Breuken gelijknamig maken
Breuken gelijknamig maken heeft je kind nodig zodra het breuken met verschillende noemers moet optellen, aftrekken of vergelijken. Je geeft beide breuken dezelfde noemer. Hier lees je drie manieren om die noemer te vinden.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 7 en 8
Breuken gelijknamig maken oefenen
Begin met de teller invullen. Daarna zoek je zelf de noemer en reken je om. Bij een fout krijg je een tip.
Breuken gelijknamig maken in het kort
Gelijknamige breuken hebben dezelfde noemer, zoals 3/8 en 5/8. Bij 1/4 en 1/6 zijn de noemers verschillend: dat zijn ongelijknamige breuken.
Je maakt ze gelijknamig in twee stappen: zoek een noemer die bij allebei past (bij 4 en 6 is dat 12), en reken dan elke breuk om. 1/4 = 3/12 en 1/6 = 2/12.
Waarom moet je breuken gelijknamig maken?
Stel: je hebt een kwart pizza en een zesde pizza. Hoeveel pizza is dat samen? Dat zie je niet meteen, want de stukken zijn niet even groot. Kwarten zijn groter dan zesden.
Je kunt pas optellen als alle stukken dezelfde grootte hebben. Snijd je beide pizza's in twaalf stukken, dan is een kwart 3 stukjes en een zesde 2 stukjes. Samen 5 van de 12: 5/12.
Dat is precies wat gelijknamig maken doet: de stukken even groot maken. De noemer zegt hoe groot de stukken zijn, dus die moet bij allebei hetzelfde worden.
Drie manieren om een gelijke noemer te vinden
1. De ene noemer past in de andere
Bij 1/2 en 3/8 past 2 in 8. Dan wordt de noemer gewoon 8. Alleen 1/2 hoef je om te rekenen: 1/2 = 4/8. Dit komt het vaakst voor en is het makkelijkst.
2. Doe de noemers keer elkaar
Bij 1/3 en 1/4 past geen van beide in de ander. Doe 3 × 4 = 12. Dat werkt altijd. Soms krijg je wel grote getallen, die je aan het eind moet vereenvoudigen.
3. Zet de tafels naast elkaar
Bij 1/4 en 1/6 geeft keer elkaar 24. Het kan kleiner. Schrijf de tafels op en kijk welk getal er als eerste in allebei staat:
| Tafel van 4 | 4 | 8 | 12 | 16 | 20 | 24 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tafel van 6 | 6 | 12 | 18 | 24 |
12 staat in allebei. Dat is de kleinste gemeenschappelijke noemer. Op de middelbare school heet dat het kleinste gemene veelvoud.
Zo reken je de breuken om
Heb je de nieuwe noemer, dan reken je elke breuk apart om. Je kijkt met hoeveel de noemer keer is gegaan, en de teller doet precies hetzelfde. Zo blijft de breuk even groot. Dit is hetzelfde als gelijkwaardige breuken maken bij breuken oefenen.
3/4 en 5/6 gelijknamig maken
- Noemer: 12 (die zit in de tafel van 4 en van 6).
- 4 × 3 = 12, dus 3/4 wordt (3 × 3)/12 = 9/12.
- 6 × 2 = 12, dus 5/6 wordt (5 × 2)/12 = 10/12.
Nu zie je ook meteen welke groter is: 10/12 is meer dan 9/12, dus 5/6 is groter dan 3/4.
Gelijknamige breuken vergelijken
Gelijknamig maken heb je ook nodig als je wilt weten welke breuk groter is. Is 3/5 of 2/3 meer?
- Noemer 15: 3/5 = 9/15 en 2/3 = 10/15.
- 10 is meer dan 9, dus 2/3 is groter.
Soms kan het sneller. 3/8 is minder dan een half, 4/6 is meer dan een half. Dan hoef je niet om te rekenen. Leer je kind eerst even kijken of zo'n snelle vergelijking lukt.
Na gelijknamig maken: optellen en aftrekken
Gelijknamig maken is stap 2 in de rij. Daarvoor komt breuken vereenvoudigen, want na het rekenen maak je het antwoord weer zo eenvoudig mogelijk. De volgende stap is breuken optellen en aftrekken met verschillende noemers. Kent je kind de tafels nog niet vlot, oefen die dan eerst. Zonder tafels is de gemeenschappelijke noemer zoeken erg lastig.
Gratis werkbladen breuken gelijknamig maken
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Zoek de gelijke noemergroep 7, pdf met antwoordenGratis printen
- Maak de breuken gelijknamiggroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Gelijkwaardige breukengroep 6 en 7, pdf met antwoordenGratis printen
Breuken gelijknamig maken per groep
- Groep 6Gelijkwaardige breuken met plaatjes: 1/2 = 2/4 = 4/8. Dat is de basis voor gelijknamig maken.
- Groep 7Gelijknamig maken bij optellen, aftrekken en vergelijken. Meestal past de ene noemer in de andere, zoals 1/2 en 3/8.
- Groep 8Ook lastigere noemers, zoals 1/6 en 3/8, en gelijknamig maken met gemengde getallen.
Gaan de tafels vlot, dan is gelijknamig maken veel makkelijker: je zoekt een getal dat in beide tafels zit.
Waar kinderen bij breuken gelijknamig maken vaak op vastlopen
- Alleen de noemer veranderen. Je kind maakt van 1/4 dan 1/12. Vraag: is een twaalfde stukje net zo groot als een kwart? Zo ziet het dat de teller mee moet.
- De noemers optellen in plaats van een gezamenlijke noemer zoeken. Bij 1/2 en 1/3 wordt de noemer dan 5. Wijs erop dat 5 niet in de tafel van 2 zit.
- Altijd keer elkaar doen. Dat mag, maar bij 1/6 en 1/8 krijg je 48 waar 24 ook kan. Grote getallen geven meer rekenfouten.
- Vergeten dat de tweede breuk ook omgerekend moet worden. Laat je kind de nieuwe breuken allebei opschrijven voordat het verder rekent.
Zo oefen je breuken gelijknamig maken thuis
- Gebruik een maatbeker. Een halve liter en een kwart liter: hoeveel kwarten is dat samen? Zo voelt je kind dat 1/2 gelijk is aan 2/4.
- Knip twee stroken papier van dezelfde lengte. Vouw de ene in 3 en de andere in 4. Waar komen de vouwen samen? Vouw beide daarna in 12.
- Zeg om de beurt de tafel van 4 en de tafel van 6 op. Wie hoort als eerste een getal dat in allebei zit?

Breukenpakket groep 6, 7 en 8
Breuken als deel, vereenvoudigen, gelijknamig maken, optellen, keer, delen en procenten in zes weken. Elke dag een kort onderdeel, met uitleg voor jou en alle antwoorden.
Veelgestelde vragen over breuken gelijknamig maken
Wat betekent gelijknamig maken?
Gelijknamig maken betekent dat je twee of meer breuken dezelfde noemer geeft. De breuken blijven even groot, alleen worden de stukken even groot gemaakt. Dat is nodig om ze op te tellen, af te trekken of te vergelijken.
Hoe maak je breuken gelijknamig?
Zoek eerst een noemer waar beide noemers in passen, bijvoorbeeld door de tafels naast elkaar te zetten. Reken dan elke breuk om: de teller gaat net zo vaak keer als de noemer. Bij 1/2 en 1/3 wordt het 3/6 en 2/6.
Wat zijn ongelijknamige breuken?
Dat zijn breuken met verschillende noemers, zoals 2/3 en 3/4. Die kun je niet meteen optellen of aftrekken. Eerst maak je ze gelijknamig.
Moet het altijd de kleinste noemer zijn?
Nee, elke noemer waar beide noemers in passen is goed. Met de kleinste noemer reken je wel met kleinere getallen. Gebruik je een grotere noemer, vergeet dan niet het antwoord aan het eind te vereenvoudigen.
Past hier ook bij
Alles van rekenen vind je op rekenen oefenen. Per groep: groep 7 en groep 8.


