Pakketten

Bijwoord herkennen

Een bijwoord is een woord dat zegt wanneer, waar, hoe vaak of hoe iets gebeurt, zoals gisteren, hier, vaak en niet. Voor veel kinderen is het de lastigste woordsoort, en eerlijk gezegd ook voor veel ouders.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 7 en 8

Bijwoord oefenen

Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 7 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 7Groep 8

Het bijwoord in het kort

  • Een bijwoord zegt meer over wanneer (gisteren, straks), waar (hier, buiten), hoe vaak (vaak, nooit) of hoe (graag, zeer).
  • Ook kleine woordjes als niet, ook, al, nog en misschien zijn bijwoorden.
  • Een bijwoord krijgt nooit een -⁠e, en je kunt er geen de of het voor zetten.
  • Pas op: een woord als boven is een bijwoord als het alleen staat (oma slaapt boven), maar een voorzetsel in boven de tafel.

Wat is een bijwoord?

Een bijwoord is een woordsoort. Het zegt meer over wat er gebeurt: wanneer, waar, hoe vaak of hoe. Het staat vaak bij het werkwoord, daar komt de naam vandaan. In Ik zwem vaak zegt vaak iets over het zwemmen.

Een bijwoord kan ook iets zeggen over een bijvoeglijk naamwoord: in Het is te koud zegt te iets over koud.

Het bijwoord zegtVoorbeelden
wanneergisteren, vandaag, morgen, nu, straks, toen, meteen
waarhier, daar, buiten, binnen, boven, overal, nergens
hoe vaakvaak, soms, nooit, altijd
hoe of hoe erggraag, zeer, te
andere kleine woordjesniet, ook, al, nog, misschien

Zo herken je een bijwoord

Een bijwoord herken je vooral aan wat het niet kan:

  • Er past geen de of het voor. De gisteren zeg je niet. Dus het is geen zelfstandig naamwoord.
  • Er past geen ik of wij voor, en je kunt het niet in een andere tijd zetten. Dus het is geen werkwoord.
  • Het krijgt nooit een -⁠e erachter. Je zegt een grote boom, maar nooit een vake boom. Dus het is geen bijvoeglijk naamwoord.

Zegt het woord dan wanneer, waar, hoe vaak of hoe? Dan is het een bijwoord.

Bijwoord of voorzetsel?

Woorden als boven, binnen, buiten en onder kunnen twee dingen zijn. Kijk wat erachter staat.

  • Staat er een zelfstandig naamwoord achter, zoals boven de tafel? Dan is het een voorzetsel.
  • Staat het woord alleen, zoals oma slaapt boven? Dan is het een bijwoord.

De lamp hangt boven de tafel. → voorzetsel
Oma slaapt boven. → bijwoord
Wij wachten binnen. → bijwoord

Waarom het bijwoord lastig is

Het bijwoord is een verzamelbak. Veel kleine woordjes die nergens anders bij passen, horen erbij. Daarom vinden kinderen (en ouders) het vaak lastig.

Bij één soort woorden verschilt het per school. In Hij rent snel noemen sommige methodes snel een bijwoord, omdat het iets zegt over rennen. Andere methodes noemen het een bijvoeglijk naamwoord, omdat je ook een snelle auto kunt zeggen. In de oefeningen op deze pagina staan zulke woorden niet. Kijk in het taalschrift van je kind hoe de school het doet.

Verwar het bijwoord ook niet met de bijwoordelijke bepaling. Een bijwoord is één woord (een woordsoort). Een bijwoordelijke bepaling is een zinsdeel en kan uit meer woorden bestaan, zoals in de tuin.

Gratis werkbladen bijwoord herkennen

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

  • Kies het bijwoordgroep 7, pdf met antwoordenGratis printen
  • Zoek het bijwoord in de zingroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
  • Bijwoord, voorzetsel of bijvoeglijk naamwoord?groep 8, pdf met antwoordenGratis printen

Het bijwoord per groep

  • Groep 7Op veel scholen komt het bijwoord in groep 7, met woorden die zeggen wanneer en waar.
  • Groep 8Ook woorden als niet, ook en al, en het verschil met het voorzetsel en het bijvoeglijk naamwoord. Het verschilt per school hoe ver ze gaan.

Veelgemaakte fouten bij het bijwoord

  • Kinderen denken dat een bijwoord altijd bij het werkwoord staat. Begin met woorden die zeggen wanneer en waar, zoals morgen en hier. Die zijn het makkelijkst.
  • Kleine woordjes als niet, ook en al zien kinderen over het hoofd. Laat ze bij elk woord in de zin vragen: welke woordsoort is dit?
  • Boven, binnen en buiten worden verward met voorzetsels. Laat ze kijken of er een zelfstandig naamwoord achter staat.

Zo oefen je het bijwoord thuis

  • Maak een zin samen langer met bijwoorden: ik zwem. Ik zwem vaak. Ik zwem vaak buiten. Ik zwem morgen ook buiten.
  • Speel wanneer-waar: jij zegt een zin, je kind zegt er een bijwoord bij dat zegt wanneer of waar.
  • Laat je kind in een stukje uit een leesboek alle woordjes als niet, ook, al en nog zoeken. Het zijn er vaak meer dan je denkt.
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 7 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 7Groep 8

Veelgestelde vragen over het bijwoord

Wat is een bijwoord?

Een woordsoort die zegt wanneer, waar, hoe vaak of hoe iets gebeurt. Bijvoorbeeld gisteren, hier, vaak, graag en niet. Een bijwoord verandert nooit door een -⁠e erachter, en je kunt er geen de of het voor zetten.

Hoe herken je een bijwoord?

Kijk eerst of het een andere woordsoort is: past de of het ervoor, past ik ervoor, of kun je er een -⁠e achter zetten? Lukt dat niet, en zegt het woord wanneer, waar, hoe vaak of hoe? Dan is het een bijwoord.

Is niet een bijwoord?

Ja. Niet, nooit, ook, al, nog en misschien zijn allemaal bijwoorden. Ze zeggen iets over wat er gebeurt, maar je kunt ze niet vervoegen of er een -⁠e achter zetten.

Wat is het verschil tussen een bijwoord en een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is en staat vaak bij een zelfstandig naamwoord: een groot huis, een grote boom. Een bijwoord krijgt nooit een -⁠e en zegt vaak wanneer of waar iets gebeurt: ik kom morgen.

Wat is het verschil tussen een bijwoord en een bijwoordelijke bepaling?

Een bijwoord is een woordsoort: je kijkt naar één woord. Een bijwoordelijke bepaling is een zinsdeel en kan uit meer woorden bestaan, zoals na school. In Ik kom morgen is morgen allebei.

Past hier ook bij

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 7 en groep 8.