Pakketten

Voorzetsel oefenen

Een voorzetsel is een klein woordje zoals op, in, onder of met. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord: op de tafel. Op school leren veel kinderen het trucje met de doos: op de doos, in de doos, onder de doos.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 5 tot en met 8

Zoek het voorzetsel

Klik op het voorzetsel, of kies het goede woord. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Kort uitgelegd: voorzetsels

Een voorzetsel is een klein woordje dat vaak vertelt waar iets is of wanneer iets gebeurt.

  • Het staat bijna altijd vóór een zelfstandig naamwoord: op de tafel, na het eten.
  • Trucje van school: kun je het zeggen met de doos? In de doos, op de doos, naast de doos.
  • Niet alle voorzetsels passen bij de doos: met, van, tijdens, sinds en zonder zijn ook voorzetsels.

Wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel is een klein woordje zoals op, in, onder, naast, met of van. Het wordt vóór een zelfstandig naamwoord gezet, daar komt de naam vandaan: op de tafel, in de tas, met mijn broer.

Veel voorzetsels vertellen waar iets is: de kat zit op het dak. Andere vertellen wanneer iets gebeurt (na het eten, tijdens de les) of zeggen iets anders (met een potlood, zonder suiker).

Het trucje met de doos

Veel scholen leren voorzetsels met een doos. De vraag is: kun je het woord zeggen met de doos? Denk aan een muis en een doos. De muis zit in de doos, op de doos, onder de doos, naast de doos. Elk woord dat je zo kunt gebruiken, is een voorzetsel.

Sommige scholen gebruiken een huis in plaats van een doos: in het huis, achter het huis, boven het huis. Het idee is hetzelfde. Vraag gerust aan de leerkracht welke versie je kind kent.

De muis zit in de doos.   De muis zit op de doos.
De muis zit onder de doos.   De muis zit naast de doos.
De muis zit achter de doos.   De muis zit voor de doos.
De muis zit tussen twee dozen.   De muis loopt rond de doos.
Ook: boven, bij, tegen, langs, door, uit, naar, over de doos.

Voorzetsels die niet in de doos passen

Het doos-trucje werkt niet bij alle voorzetsels. Deze woorden zijn ook voorzetsels, maar je zegt niet met de doos zoals bij een plek:

  • met, van, zonder: ik speel met mijn broer, een cadeau van oma;
  • tijdens, na, sinds, tot, om: na het eten, om negen uur;
  • volgens, vanwege: volgens mij regent het.

Een tweede trucje helpt hier: een voorzetsel staat bijna altijd vlak voor een zelfstandig naamwoord, een naam of een woordje als mij, jou of hem. Met mijn broer, voor jou, uit Turkije.

Ik speel met mijn broer.
Hij slaapt tijdens de film.
Ik heb een brief voor jou.

Let op: hoort het woordje bij het werkwoord?

Soms lijkt een woordje een voorzetsel, maar hoort het bij het werkwoord. In hij stapt in staat er niets achter in. Het hoort bij het werkwoord instappen. Dan is het geen voorzetsel.

Vergelijk: hij stapt in de bus. Daar staat in vóór de bus, en dan is het wel een voorzetsel. Dit onderscheid komt vooral in groep 7 en 8 aan bod. In de oefening hierboven zitten zulke zinnen niet.

Hij stapt in de bus. → voorzetsel
Hij stapt in. → hoort bij instappen, geen voorzetsel

Gratis werkbladen voorzetsel

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

Voorzetsels: wat leert je kind in welke groep?

  • Groep 5Voorzetsels van plaats herkennen, vaak met het trucje van de doos: op, in, onder, naast.
  • Groep 6Ook voorzetsels die niet bij de doos passen, zoals met, van, tijdens en na.
  • Groep 7 en 8Voorzetsels in lange zinnen, en het verschil met een woordje dat bij het werkwoord hoort (hij stapt in).

Lastige punten bij voorzetsels

  • Kinderen kennen alleen de voorzetsels van de doos. Met, van en tijdens herkennen ze dan niet. Laat zien dat ook die vlak voor een zelfstandig naamwoord staan.
  • Kinderen klikken op het lidwoord of het zelfstandig naamwoord erachter. Zeg erbij: het voorzetsel is alleen dat kleine woordje ervoor, dus op en niet op het dak.
  • Bij ik wacht op de bus denken kinderen dat op geen voorzetsel is, omdat de bus geen plek is. Het is wel een voorzetsel: het staat voor de bus.
  • Een woordje dat bij het werkwoord hoort, zoals in bij instappen, zien kinderen aan voor een voorzetsel. Kijk of er een zelfstandig naamwoord achter staat.

Thuis aan de slag met voorzetsels

  • Pak een doos en een knuffel. Zet de knuffel ergens neer en laat je kind zeggen waar hij zit: naast de doos, op de doos.
  • Speel verstoppertje met een voorwerp en geef hints met voorzetsels: het ligt onder iets zachts.
  • Laat je kind beschrijven waar dingen in de kamer staan. Hoeveel verschillende voorzetsels gebruikt het?
  • Tel samen de voorzetsels in een korte bladzijde van een leesboek.
Taalpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 6 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 6Groep 7Groep 8

Vragen over voorzetsels

Wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel is een klein woordje zoals op, in, onder, met of van. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord: op de tafel, met mijn broer. Veel voorzetsels vertellen waar iets is of wanneer iets gebeurt.

Wat is het trucje met de doos?

Veel scholen leren voorzetsels met een doos. Kun je het woord zeggen met de doos, zoals in de doos, op de doos of naast de doos? Dan is het een voorzetsel. Sommige scholen gebruiken een huis in plaats van een doos.

Zijn met en van ook voorzetsels?

Ja. Met, van, zonder, tijdens, na, sinds en tot zijn ook voorzetsels, ook al passen ze niet bij de doos. Ze staan net als de andere voorzetsels vlak voor een zelfstandig naamwoord: met mijn broer, na het eten.

In welke groep leren kinderen voorzetsels?

Meestal in groep 5 of 6, eerst met de voorzetsels van plaats. Daarna komen de andere voorzetsels erbij.

Hierna oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.