Naamwoordelijk gezegde herkennen
Het naamwoordelijk gezegde zegt niet wat het onderwerp doet, maar hoe of wat het is: Oma wordt tachtig. Je herkent het aan een koppelwerkwoord, zoals zijn, worden of blijven.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 7 en 8
Naamwoordelijk gezegde oefenen
Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: het naamwoordelijk gezegde
- Een naamwoordelijk gezegde = koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel: De soep is heet.
- De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
- Het naamwoordelijk deel zegt hoe of wat het onderwerp is: heet, tachtig, dokter.
- Zegt het stuk erna waar of wanneer (Papa is in de keuken)? Dan is het een werkwoordelijk gezegde.
Wat is een naamwoordelijk gezegde?
In de meeste zinnen zegt het gezegde wat er gebeurt: Oma fietst. Dat is een werkwoordelijk gezegde. Maar in Oma is moe doet oma niets. De zin zegt hoe oma is. Dan heb je een naamwoordelijk gezegde.
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit twee delen:
- het koppelwerkwoord: is, wordt, blijft, lijkt ...
- het naamwoordelijk deel: het stuk dat zegt hoe of wat het onderwerp is. Dat is vaak een bijvoeglijk naamwoord (moe, heet) of een zelfstandig naamwoord (dokter, een goede keeper).
Het koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan het naamwoordelijk deel. Daar komt de naam vandaan.
De soep is heet.
Oma wordt morgen tachtig.
Mijn broer is een goede keeper.
Onze kat heet Pip.
De koppelwerkwoorden
Er zijn negen koppelwerkwoorden. Veel scholen laten kinderen het rijtje uit het hoofd leren:
| Koppelwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| zijn | Het water is koud. |
| worden | De juf werd boos. |
| blijven | Het blijft droog. |
| lijken | Jij lijkt moe. |
| blijken | De toets bleek makkelijk. |
| schijnen | Het huis schijnt leeg. (betekent: het lijkt leeg) |
| heten | Onze hond heet Max. |
| dunken | Dat dunkt mij een goed plan. (ouderwets, betekent: dat lijkt mij een goed plan) |
| voorkomen | Die jongen komt mij bekend voor. |
Dunken kom je bijna nooit meer tegen. Je kind hoeft het vooral te herkennen in het rijtje.
Is het werkwoord hier een koppelwerkwoord?
Een woord uit het rijtje is niet altijd een koppelwerkwoord. Stel daarom twee vragen:
- Zegt het stuk erna hoe of wat het onderwerp is? In Papa is moe wel. In Papa is in de keuken niet: in de keuken zegt waar papa is. Dan is is een gewoon werkwoord en is het gezegde werkwoordelijk.
- Staat er nog een voltooid deelwoord bij? In Ik ben gevallen en De brief wordt bezorgd zijn ben en wordt hulpwerkwoorden. Ook dan is het gezegde werkwoordelijk.
Een handige proef: kun je het werkwoord vervangen door is en klopt de zin dan nog, met dezelfde betekenis? Jij lijkt moe wordt Jij bent moe. Dat werkt. De zon schijnt wordt De zon is. Dat werkt niet: hier betekent schijnen licht geven.
Papa is moe. → naamwoordelijk gezegde (hoe is papa?)
Papa is in de keuken. → werkwoordelijk gezegde (waar is papa?)
Ik ben gevallen. → werkwoordelijk gezegde (ben is een hulpwerkwoord)
Het hele naamwoordelijk gezegde
Bij het hele naamwoordelijk gezegde horen het koppelwerkwoord, de andere werkwoorden in de zin en het naamwoordelijk deel. In Daan is ziek geworden is het naamwoordelijk gezegde dus is ziek geworden. Het koppelwerkwoord is hier geworden, en is is een hulpwerkwoord.
Woorden die zeggen wanneer of waar, zoals morgen, later of buiten, horen er niet bij. Dat zijn bijwoordelijke bepalingen.
Let op: een zin met een naamwoordelijk gezegde heeft nooit een lijdend voorwerp. In Oma wordt tachtig is tachtig geen lijdend voorwerp.
Daan is ziek geworden.
Mijn zus wordt later dokter. (later hoort er niet bij)
Het is buiten koud. (buiten hoort er niet bij)
Gratis werkbladen naamwoordelijk gezegde herkennen
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Werkwoordelijk of naamwoordelijk?groep 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Het naamwoordelijk deelgroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Het hele naamwoordelijk gezegdegroep 8, pdf met antwoordenGratis printen
Het naamwoordelijk gezegde: wat leert je kind in welke groep?
- Groep 7Op veel scholen nog niet. Wel leren kinderen dat bij zijn, worden en blijven geen lijdend voorwerp hoort.
- Groep 8Hier komt het naamwoordelijk gezegde meestal. Kinderen leren de koppelwerkwoorden en het verschil met het werkwoordelijk gezegde. Het verschilt per school: sommige scholen bewaren het voor de middelbare school.
Hier gaat het vaak mis bij het naamwoordelijk gezegde
- Kinderen zien is of wordt en denken meteen aan een naamwoordelijk gezegde. Laat ze altijd kijken wat er achter staat: hoe of wat het onderwerp is, of waar en wanneer?
- Bij Ik ben gevallen of De auto wordt gewassen vergeten kinderen dat zijn en worden ook hulpwerkwoord kunnen zijn. Staat er een voltooid deelwoord bij? Dan is het werkwoordelijk.
- Kinderen noemen het naamwoordelijk deel een lijdend voorwerp, zoals tachtig in Oma wordt tachtig. Zeg erbij: bij een koppelwerkwoord is er nooit een lijdend voorwerp.
Thuis aan de slag met het naamwoordelijk gezegde
- Leer samen het rijtje koppelwerkwoorden. Zeg het om de beurt op, of maak er een liedje van op een melodie die je kind kent.
- Maak om de beurt een zin met is: één keer met hoe iets is (de thee is heet) en één keer met waar iets is (de thee is in de keuken). Welke is naamwoordelijk?
- Beschrijf elkaar of een knuffel met koppelwerkwoorden: de beer is zacht, de beer heet Bram, de beer lijkt oud.
Vragen over het naamwoordelijk gezegde
Wat is een naamwoordelijk gezegde?
Een gezegde dat zegt hoe of wat het onderwerp is, in plaats van wat het doet. Het bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. In De soep is heet is is heet het naamwoordelijk gezegde.
Wat zijn de koppelwerkwoorden?
Zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Ze zijn alleen een koppelwerkwoord als het stuk erna zegt hoe of wat het onderwerp is.
Wat is het verschil tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde?
Een werkwoordelijk gezegde zegt wat er gebeurt: Oma fietst. Een naamwoordelijk gezegde zegt hoe of wat het onderwerp is: Oma is moe. Bij een werkwoordelijk gezegde horen alleen werkwoorden. Bij een naamwoordelijk gezegde ook het naamwoordelijk deel.
Is zijn altijd een koppelwerkwoord?
Nee. In Papa is in de keuken zegt het stuk erna waar papa is. Dan is zijn een gewoon werkwoord. In Ik ben gevallen is zijn een hulpwerkwoord. In beide gevallen is het gezegde werkwoordelijk.
In welke groep leer je het naamwoordelijk gezegde?
Meestal in groep 8. Sommige scholen beginnen er pas mee op de middelbare school.
Hierna oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 7 en groep 8.


