Werkwoordelijk gezegde vinden
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin samen: Ik heb een taart gebakken. Het zegt wat er gebeurt. Je kind begint bij de persoonsvorm en zoekt daarna de andere werkwoorden erbij.
Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen
Meestal in groep 7 en 8
Werkwoordelijk gezegde oefenen
Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.
Kort uitgelegd: het werkwoordelijk gezegde
- Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + alle andere werkwoorden in de zin.
- Staat er maar één werkwoord, dan is dat het hele gezegde: Sanne leest een boek.
- Bij werkwoorden zoals opbellen en meenemen horen beide stukjes erbij: Papa belt oma op.
- Woorden zoals niet, al en morgen horen er niet bij. Die zijn geen werkwoord.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
Het werkwoordelijk gezegde zegt wat er gebeurt in de zin. Het bestaat uit de persoonsvorm en alle andere werkwoorden die in de zin staan. Op school heet het vaak kortweg het gezegde.
Soms is het één woord: Sanne leest een boek. Vaak zijn het er twee of drie: Wij hebben de hele middag moeten wachten. De werkwoorden staan niet altijd naast elkaar. Er kunnen andere woorden tussen staan.
Sanne leest een boek.
Ik heb een taart gebakken.
Wij gaan morgen zwemmen.
Wij hebben de hele middag moeten wachten.
Zo vind je het werkwoordelijk gezegde
- Zoek de persoonsvorm met de tijdproef of de vraagproef.
- Zoek de andere werkwoorden. Dat zijn vaak hele werkwoorden (zwemmen, wachten) of voltooide deelwoorden (gebakken, gefietst).
- Zet ze samen. Dat is het werkwoordelijk gezegde.
Daarna kun je verder met het onderwerp: wie of wat + gezegde? En met het lijdend voorwerp: wie of wat + gezegde + onderwerp? Daarom is het gezegde zo belangrijk bij het ontleden.
Zin: Gisteren heeft Mila haar kamer opgeruimd.
Persoonsvorm: heeft
Ander werkwoord: opgeruimd
Werkwoordelijk gezegde: heeft opgeruimd
Werkwoorden die uit elkaar gaan
Sommige werkwoorden bestaan uit twee stukjes: opbellen, meenemen, opruimen, aankomen. In een zin gaan die stukjes vaak uit elkaar: Papa belt oma morgen op. Op school heten dit scheidbare werkwoorden. Beide stukjes horen bij het gezegde.
Twijfelt je kind of zo'n woordje erbij hoort? Laat het dan het hele werkwoord zeggen. Bestaat opbellen? Ja. Dan hoort op erbij. In De kat sprong op de kast hoort op bij de kast: op de kast. Dat is geen deel van het gezegde.
Papa belt oma op. (opbellen)
Sam neemt zijn knuffel mee. (meenemen)
De kat sprong op de kast. (op de kast hoort niet bij het gezegde)
Wat hoort er niet bij?
- Woorden die geen werkwoord zijn, zoals niet, al, net, morgen of graag. In Ik kan niet slapen is het gezegde kan slapen.
- Een werkwoord dat een ding is. In Het zwemmen was leuk kun je het voor zwemmen zetten. Dan is het hier een zelfstandig naamwoord.
- Zijn, worden en blijven met een woord dat zegt hoe of wat het onderwerp is, zoals De soep is heet. Dat is geen werkwoordelijk maar een naamwoordelijk gezegde. Dat leren kinderen meestal in groep 8.
Gratis werkbladen werkwoordelijk gezegde vinden
Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.
- Makkelijkgroep 7, pdf met antwoordenGratis printen
- Moeilijkergroep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
- Hoort het erbij?groep 7 en 8, pdf met antwoordenGratis printen
Het werkwoordelijk gezegde: wat leert je kind in welke groep?
- Groep 7Op veel scholen komt het gezegde in groep 7: de persoonsvorm met de andere werkwoorden. Ook de werkwoorden die uit elkaar gaan, zoals opbellen.
- Groep 8Lange zinnen met drie werkwoorden, en het verschil tussen het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde. Sommige scholen beginnen er al in groep 6 mee.
Hier gaat het vaak mis bij het werkwoordelijk gezegde
- Kinderen nemen alleen de persoonsvorm, of alleen het werkwoord met de meeste betekenis. Laat ze na de persoonsvorm altijd zoeken: staan er nog meer werkwoorden?
- Bij opbellen of meenemen vergeten kinderen het losse stukje achteraan. Vraag: bestaat opbellen als heel werkwoord? Dan hoort op erbij.
- Woorden zoals niet, al en graag nemen kinderen mee, omdat ze tussen de werkwoorden staan. Vraag bij elk woord: kun je dit doen? Kun je ik ervoor zetten?
Thuis aan de slag met het werkwoordelijk gezegde
- Laat je kind zinnen maken met drie werkwoorden, zoals ik heb moeten wachten. Wie maakt de langste zin die nog klopt?
- Kies een zin uit een leesboek. Laat je kind alle werkwoorden met de vinger aanwijzen en ze samen opnoemen.
- Oefen de scheidbare werkwoorden: noem een werkwoord zoals opruimen, en laat je kind er een zin mee maken waarin de stukjes uit elkaar gaan.
Vragen over het werkwoordelijk gezegde
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
Alle werkwoorden in een zin samen: de persoonsvorm en de andere werkwoorden. In Wij hebben een film gekeken is het werkwoordelijk gezegde hebben gekeken.
Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde?
Zoek eerst de persoonsvorm. Zoek dan alle andere werkwoorden in de zin, zoals hele werkwoorden en voltooide deelwoorden. Samen zijn ze het gezegde. Woorden als niet en morgen horen er niet bij.
Wat is het verschil tussen persoonsvorm en gezegde?
De persoonsvorm is één werkwoord: het werkwoord dat verandert als je de tijd verandert. Het gezegde is de persoonsvorm samen met alle andere werkwoorden. In Ik heb gefietst is heb de persoonsvorm en heb gefietst het gezegde.
Wat is het verschil tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde?
Een werkwoordelijk gezegde zegt wat er gebeurt: Oma fietst. Een naamwoordelijk gezegde zegt hoe of wat het onderwerp is, met een werkwoord zoals zijn, worden of blijven: Oma is moe.
Hierna oefenen
Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 7 en groep 8.


