Pakketten

Verkleinwoorden: -⁠je, -⁠tje, -⁠pje of -⁠etje?

Verkleinwoorden zijn woorden met een staartje dat iets klein maakt: huis wordt huisje, boom wordt boompje. Welk staartje erachter komt, hangt af van hoe het woord eindigt. Je kind hoort het meestal goed, maar bij het schrijven gaat het vaak mis.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 3 tot en met 5

Verkleinwoorden oefenen

Kies een niveau. Zeg het woord hardop met het staartje erachter.

Vraag 10 goed

Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 3 tot en met 5. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 3Groep 4Groep 5

Verkleinwoorden in het kort

StaartjeWanneerVoorbeeld
-⁠jena p, t, k, d, s, f, chboekje, hondje
-⁠tjena een klinkerklank, of een lange klank met l, n, reitje, treintje
-⁠pjena een m met een lange klank, of na lm en rmboompje, armpje
-⁠etjena een korte klank met l, m, n, r, ngballetje, ringetje
-⁠kjena -⁠ing als de klemtoon ervoor ligtkoninkje

Wat zijn verkleinwoorden?

Een verkleinwoord maak je van een zelfstandig naamwoord door er een staartje achter te zetten. Vaak betekent het dat iets klein is: een hondje. Maar het kan ook lief of gezellig klinken (een kopje thee, een praatje), of iets kort laten duren (even een momentje).

Twee dingen gelden voor alle verkleinwoorden:

  • Het lidwoord is altijd het: de boom, maar het boompje. De tas, maar het tasje. Handig bij de of het.
  • Het meervoud krijgt altijd -⁠s: boompjes, tasjes, balletjes.

de hond → het hondje → twee hondjes
de bal → het balletje → twee balletjes

Verkleinwoorden in vijf stappen

Op school leren kinderen de staartjes meestal één voor één, verspreid over groep 4 en 5. Wil je thuis helpen, dan werkt dit stappenplan. Laat je kind het woord altijd eerst hardop zeggen en naar het eind luisteren.

  1. Eindigt het woord op een klinkerklank, zoals ei, oe, ui of ie? Dan -⁠tje: eitje, koetje, truitje. Op een a, o of u? Dan maak je die lang en komt er -⁠tje achter: opaatje, autootje.
  2. Eindigt het op een m? Na een lange klank, na -⁠em, of na een l of r: -⁠pje (boompje, bezempje, filmpje, armpje). Na een korte klank: -⁠etje (kammetje).
  3. Korte klank met een l, n, r of ng aan het eind? Dan -⁠etje, en de laatste letter komt twee keer: balletje, pannetje, sterretje. Bij ng niet: ringetje.
  4. Lange klank met een l, n of r, of een woord op -⁠el, -⁠en, -⁠er? Dan -⁠tje: stoeltje, treintje, deurtje, vogeltje. Ook na een w: leeuwtje.
  5. Alle andere woorden krijgen -⁠je: boekje, hondje, muisje, kastje.

Verkleinwoorden met -⁠etje: waarom balletje?

Bij bal komt er -⁠etje achter, en de l komt twee keer: balletje. Dat komt door de klankgroepenregel. Klap het woord: bal-le-tje. De a is kort en moet in een dichte klankgroep blijven. Daarom komt er een extra l. Met één l zou je ba-le-tje lezen, met een lange aa.

Bij woorden op ng gebeurt dat niet, omdat ng al uit twee letters bestaat: ring, ringetje en wang, wangetje. Meer over korte en lange klanken in klankgroepen staat bij lettergrepen.

bal → bal-letje
pan → pan-netje
ster → ster-retje
ring → ring-etje

Autootje, baby'tje en cafeetje

Woorden die op een klinker eindigen, zijn lastig om te schrijven. De klank moet lang blijven, net als in het grote woord.

Eindigt opZo schrijf je hetVoorbeelden
a, o, uklinker dubbel + tjeopaatje, autootje, menuutje
i (klinkt als ie)ie + tjetaxietje
éee + tjecafeetje
yapostrof + tjebaby'tje, hobby'tje

Ook na een cijfer of een afkorting komt er een apostrof: een 6'je, een A4'tje, een sms'je. Het is dus niet auto'tje maar autootje.

Scheepje, glaasje en koninkje

Bij een klein groepje woorden verandert de klank in het verkleinwoord. De korte klank wordt lang:

  • schip wordt scheepje
  • glas wordt glaasje
  • blad wordt blaadje
  • gat wordt gaatje
  • vat wordt vaatje

Woorden op -⁠ing worden -⁠inkje als de klemtoon op het stukje ervoor ligt: koning, koninkje en ketting, kettinkje. De g valt dan weg. Staat er een doffe e in het stukje ervoor, dan wordt het -⁠ingetje: tekening, tekeningetje en wandeling, wandelingetje. Deze woorden komen meestal pas in groep 6 of later aan bod.

Verkleinwoorden lijst: woorden die vaak worden opgezocht

WoordVerkleinwoord
autoautootje
babybaby'tje
taxitaxietje
menumenuutje
cafécafeetje
cadeaucadeautje
koningkoninkje
kettingkettinkje
bloembloempje (één bloem) of bloemetje (een bosje)
schipscheepje
kipkipje of kippetje
vlagvlagje of vlaggetje

Bij korte woorden op p, b of g zijn soms twee vormen goed, zoals kipje en kippetje. Zie je op school maar één van de twee? Dan volgt de methode die vorm.

Gratis werkbladen verkleinwoorden

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

Verkleinwoorden per groep

  • Groep 3Kinderen horen en gebruiken verkleinwoorden in het praten. Schrijven doen ze vooral met -⁠je: boekje, visje.
  • Groep 4Verkleinwoorden met -⁠je en -⁠tje, en op veel scholen ook -⁠pje.
  • Groep 5Alle staartjes, ook -⁠etje met de dubbele letter (balletje) en woorden op een klinker (autootje).

Veelgemaakte fouten bij verkleinwoorden

  • Kinderen schrijven wat ze horen. Bij boompje hoor je bijna boomtje. Laat ze kijken: eindigt het grote woord op een m? Dan meestal -⁠pje.
  • Bij balletje en pannetje vergeten kinderen de dubbele letter. Laat ze het woord klappen: bal-le-tje. Een korte klank aan het eind van een klankgroep moet dicht.
  • Na het leren van de apostrof schrijven kinderen auto'tje. Leg uit dat de apostrof alleen bij een y, een cijfer en een afkorting komt.

Zo oefen je verkleinwoorden thuis

  • Speel verkleinmachine: jij noemt een ding in huis, je kind maakt het klein. Klopt het staartje? Schrijf de lastige op.
  • Pak een prentenboek en zoek samen alle verkleinwoorden. Welk staartje hebben ze? Maak per staartje een rijtje.
  • Oefen elke keer één staartje. Een week -⁠pje, een week -⁠etje. Dat werkt beter dan alles door elkaar.
Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 3 tot en met 5. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 3Groep 4Groep 5

Vragen over verkleinwoorden

Wanneer schrijf je -⁠je, -⁠tje, -⁠pje of -⁠etje?

-⁠je na p, t, k, d, s, f en ch (boekje). -⁠tje na een klinkerklank of een lange klank met l, n of r (eitje, treintje). -⁠pje na een m met een lange klank (boompje). -⁠etje na een korte klank met l, m, n, r of ng (balletje, ringetje).

Is het autootje of auto'tje?

Autootje. Bij woorden op a, o en u schrijf je de klinker dubbel en zet je er -⁠tje achter: opaatje, autootje, menuutje. Een apostrof komt alleen na een y (baby'tje), een cijfer of een afkorting.

Wat is het verkleinwoord van café?

Cafeetje. De é wordt ee, en daar komt -⁠tje achter. Op dezelfde manier wordt taxi een taxietje.

Zijn verkleinwoorden de- of het-woorden?

Altijd het-woorden: de boom, het boompje. Ook als het grote woord een de-woord is. Het meervoud van een verkleinwoord krijgt altijd -⁠s: boompjes.

In welke groep leren kinderen verkleinwoorden schrijven?

De eerste verkleinwoorden met -⁠je komen al in groep 3 en 4. In groep 4 en 5 komen -⁠tje, -⁠pje en -⁠etje erbij. Lastige woorden zoals koninkje en tekeningetje volgen later.

Past hier ook bij

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 3, groep 4 en groep 5.