Pakketten

Sterke werkwoorden: uitleg en lijst

Sterke werkwoorden veranderen van klank als je ze in de verleden tijd zet: ik zwem, ik zwom, ik heb gezwommen. Er is geen regel voor. Je kind leert ze door ze vaak te horen en te gebruiken. Onderaan deze uitleg staat een lijst met de sterke werkwoorden die kinderen het meest nodig hebben.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 5 tot en met 8

Sterke werkwoorden oefenen

Kies een niveau. Twijfel je? Zeg het werkwoord hardop met gisteren.

Vraag 10 goed

Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Kort uitgelegd: sterke werkwoorden

  • Bij een sterk werkwoord verandert de klank in de verleden tijd: lopen wordt liep. Er komt geen -⁠te of -⁠de achter.
  • Het voltooid deelwoord eindigt meestal op -⁠en: gelopen, gezwommen.
  • In de verleden tijd krijgt een sterk werkwoord nooit een t extra: hij vond, jij werd.
  • Een paar werkwoorden zijn onregelmatig: ze passen in geen enkel rijtje, zoals zijn, hebben en kopen.

Wat zijn sterke werkwoorden?

De meeste werkwoorden krijgen in de verleden tijd een staartje: ik fiets, ik fietste. Dat zijn de zwakke werkwoorden. Bij sterke werkwoorden gebeurt iets anders. De klinker in het midden van het woord verandert, en er komt niets achter: ik zing, ik zong.

Het Nederlands heeft er ongeveer tweehonderd, als je samenstellingen zoals opschrijven niet meetelt. Veel daarvan komen weinig voor. Kinderen hebben vooral de werkwoorden nodig die ze elke dag gebruiken, zoals lopen, eten, slapen, zitten en schrijven. Die kennen ze vaak al van het praten. Bij spelling en bij de werkwoordspelling moeten ze ze ook leren herkennen.

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
zingenzonggezongen
rijdenreedgereden
slapensliepgeslapen
etenatgegeten

Hoe herken je een sterk werkwoord?

Er is geen regel die zegt welk werkwoord sterk is. Wel is er een handige test: zeg het hardop met gisteren. Hoor je in de verleden tijd een andere klank, dan is het sterk. Hoor je -⁠te of -⁠de achteraan, dan is het zwak.

  1. Vandaag drink ik. Gisteren dronk ik. De i wordt een o: sterk.
  2. Vandaag werk ik. Gisteren werkte ik. Er komt -⁠te achter: zwak.

Kinderen die veel Nederlands horen en lezen, voelen het vaak goed aan. Kinderen die thuis een andere taal spreken, of die nog jong zijn, maken soms vormen als loopte of zingde. Dat is logisch: ze passen de regel van de zwakke werkwoorden toe. Verbeter het rustig door de goede vorm te herhalen.

Sterke werkwoorden lijst: de belangrijkste per klankgroep

Veel sterke werkwoorden veranderen op dezelfde manier. Leer ze in groepjes, dan onthoudt je kind ze makkelijker. Bij meer dan één komt er -⁠en achter de verleden tijd: ik bleef, wij bleven.

ij wordt ee

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
blijvenbleefgebleven
kijkenkeekgekeken
krijgenkreeggekregen
schrijvenschreefgeschreven
rijdenreedgereden
snijdensneedgesneden
bijtenbeetgebeten
glijdengleedgegleden
lijkenleekgeleken
schijnenscheengeschenen
grijpengreepgegrepen
wijzenweesgewezen

ie of ui wordt oo

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
biedenboodgeboden
kiezenkoosgekozen
vliegenvlooggevlogen
liegenlooggelogen
schietenschootgeschoten
vriezenvroorgevroren
verliezenverloorverloren
sluitenslootgesloten
ruikenrookgeroken
buigenbooggebogen

i of e wordt o

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
zingenzonggezongen
drinkendronkgedronken
springenspronggesprongen
vindenvondgevonden
bindenbondgebonden
beginnenbegonbegonnen
winnenwongewonnen
zwemmenzwomgezwommen
klimmenklomgeklommen
schrikkenschrokgeschrokken
trekkentrokgetrokken
smeltensmoltgesmolten

e, ee of i wordt a, in het meervoud vaak aa

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
gevengaf, gavengegeven
lezenlas, lazengelezen
etenat, atengegeten
vergetenvergat, vergatenvergeten
metenmat, matengemeten
zittenzat, zatengezeten
liggenlag, lagengelegen
brekenbrak, brakengebroken
sprekensprak, sprakengesproken
stelenstal, stalengestolen
nemennam, namengenomen

a wordt oe

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
dragendroeggedragen
gravengroefgegraven
varenvoergevaren
slaansloeggeslagen

verleden tijd met ie of i

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
lopenliepgelopen
slapensliepgeslapen
roepenriepgeroepen
vallenvielgevallen
latenlietgelaten
houdenhieldgehouden
helpenhielpgeholpen
hangenhinggehangen
vangenvinggevangen
gaanginggegaan

Onregelmatige werkwoorden: helemaal uit je hoofd

Sommige werkwoorden passen in geen enkel rijtje. Ze heten onregelmatig. Het zijn juist werkwoorden die kinderen heel vaak gebruiken, dus het loont om ze goed te kennen.

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
zijnwas, warengeweest
hebbenhad, haddengehad
doendeedgedaan
zienzag, zagengezien
komenkwam, kwamengekomen
staanstondgestaan
wordenwerdgeworden
wetenwistgeweten
zeggenzeigezegd
kopenkochtgekocht
denkendachtgedacht
brengenbrachtgebracht
zoekenzochtgezocht
vragenvroeggevraagd
kunnenkon, kondengekund
mogenmochtgemogen
willenwilde of wougewild
zullenzou, zouden(geen)

Let op kopen, kocht en zoeken, zocht: je hoort een ch en geen g. Kinderen schrijven soms kogt. Dat bestaat niet.

Sterke werkwoorden en d of t

Bij sterke werkwoorden gaat het in de verleden tijd vaak mis met de d en de t. In de tegenwoordige tijd is het hij vindt: stam + t. Maar in de verleden tijd is het hij vond, zonder t. Dat geldt voor alle sterke werkwoorden: hij werd, jij reed, zij hield, het stond.

Een handige zin om te onthouden: in de verleden tijd krijgt een sterk werkwoord er nooit iets bij, behalve -⁠en als het over meer dan één gaat. Voor het voltooid deelwoord geldt weer iets anders: dat eindigt bij sterke werkwoorden meestal op -⁠en.

Nu: hij vindt, jij wordt, zij rijdt
Vroeger: hij vond, jij werd, zij reed
Meer dan één: wij vonden, zij werden

Gratis werkbladen sterke werkwoorden

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

Sterke werkwoorden: wat leert je kind in welke groep?

  • Groep 5Kinderen merken dat niet elk werkwoord -⁠te of -⁠de krijgt. Ze oefenen veelgebruikte sterke werkwoorden zoals lopen, liep en zwemmen, zwom.
  • Groep 6Sterk en zwak uit elkaar houden. Dit is nodig om in de verleden tijd te weten of 't kofschip gebruikt mag worden.
  • Groep 7Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden (gebleven, gevonden) en geen t in de verleden tijd: hij vond, jij werd.
  • Groep 8Alles door elkaar, ook onregelmatige werkwoorden zoals kopen, kocht, gekocht. Komt terug in de doorstroomtoets.

Veelgemaakte fouten bij sterke werkwoorden

  • Jonge kinderen maken van sterke werkwoorden vaak zwakke: loopte, zingde, eette. Herhaal dan rustig de goede vorm in een zin, in plaats van te zeggen dat het fout is.
  • Bij het meervoud vergeten kinderen dat de klank kan veranderen. Ze schrijven wij lasen of wij aatten. Laat ze het hardop zeggen: wij lazen, wij aten.
  • Na het leren van stam + t zetten kinderen een t achter hij vond of jij werd. Laat ze eerst vragen: is het nu of vroeger?
  • Kocht en zocht worden soms kogt en zogt geschreven. Leer deze twee als woordbeeld, net als dacht en bracht.

Thuis aan de slag met sterke werkwoorden

  • Speel het gisteren-spel in de auto of aan tafel. Jij zegt: vandaag zwem ik. Je kind zegt: gisteren zwom ik. Daarna andersom.
  • Neem elke week één rijtje uit de lijst hierboven, bijvoorbeeld ij wordt ee. Hang het op en gebruik die werkwoorden expres in je eigen zinnen.
  • Laat je kind een kort verslag schrijven over het weekend. Onderstreep samen de sterke werkwoorden en controleer ze met de lijst.
Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Vragen over sterke werkwoorden

Wat zijn sterke werkwoorden?

Werkwoorden waarbij de klinker verandert als je ze in de verleden tijd zet, zonder -⁠te of -⁠de erachter. Bijvoorbeeld lopen, liep, gelopen en zingen, zong, gezongen. Het voltooid deelwoord eindigt meestal op -⁠en.

Hoe weet je of een werkwoord sterk of zwak is?

Zeg het werkwoord hardop met gisteren. Verandert de klank in het woord, dan is het sterk: gisteren liep ik. Komt er -⁠te of -⁠de achter, dan is het zwak: gisteren werkte ik. Een vaste regel om het te zien is er niet.

Wat is het verschil tussen sterke en onregelmatige werkwoorden?

Bij sterke werkwoorden verandert alleen de klinker, vaak volgens een vast patroon (ij wordt ee, ie wordt oo). Onregelmatige werkwoorden passen in geen enkel patroon, zoals zijn (was, geweest), kopen (kocht, gekocht) en hebben (had, gehad).

Hoeveel sterke werkwoorden zijn er?

Ongeveer tweehonderd, als je samenstellingen zoals opschrijven en meelopen niet meetelt. Kinderen op de basisschool hoeven die niet allemaal te kennen. De lijst op deze pagina bevat de werkwoorden die ze het meest gebruiken.

Waarom is het hij vond en niet hij vondt?

Vond is de verleden tijd van een sterk werkwoord. Daar komt nooit een t achter. Alleen in de tegenwoordige tijd schrijf je stam + t: hij vindt. Zo ook: hij werd, hij reed, hij hield.

Hierna oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.