Pakketten

Zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden zijn de werkwoorden die netjes de regel volgen. In de verleden tijd blijft de klank gelijk en komt er -⁠te of -⁠de achter: ik werk, ik werkte. Verreweg de meeste werkwoorden in het Nederlands zijn zwak, en nieuwe werkwoorden zoals appen en gamen ook.

Liever op papier? Gratis werkbladen om te printen

Meestal in groep 5 tot en met 8

Zwakke werkwoorden oefenen

Kies een niveau. Bij een fout krijg je een tip.

Vraag 10 goed

Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Het belangrijkste over zwakke werkwoorden

Een zwak werkwoord herken je aan drie vaste vormen:

  • Verleden tijd: stam + te of de (werkte, woonde)
  • Voltooid deelwoord: ge + stam + t of d (gewerkt, gewoond)
  • De klank blijft gelijk: werk, werkte, gewerkt

Bij een sterk werkwoord verandert de klank juist: lopen, liep, gelopen.

Wat zijn zwakke werkwoorden?

Een werkwoord heeft drie vormen die je kind moet kennen: het hele werkwoord (werken), de verleden tijd (werkte) en het voltooid deelwoord (gewerkt). Bij een zwak werkwoord maak je die vormen altijd op dezelfde manier. Je hoeft ze dus niet uit je hoofd te leren. Wel moet je kind de regels van de werkwoordspelling kennen om ze goed te schrijven.

Op school heten ze ook wel regelmatige werkwoorden. Het woord zwak klinkt negatief, maar het betekent alleen dat het werkwoord niet van klank verandert en een hulpje achteraan nodig heeft: -⁠te of -⁠de.

werken → ik werkte → ik heb gewerkt
wonen → ik woonde → ik heb gewoond
appen → ik appte → ik heb geappt

Sterke en zwakke werkwoorden: zo zie je het verschil

Het verschil hoor je in de verleden tijd. Laat je kind het werkwoord hardop zeggen met gisteren ervoor:

ZwakSterk
Hele werkwoordwerkendrinken
Verleden tijdwerktedronk
Voltooid deelwoordgewerktgedronken
Klank verandert?neeja
Iets erachter?-⁠te of -⁠deniets
Voltooid deelwoord eindigt opt of dmeestal -⁠en

Een beeld dat bij veel kinderen blijft hangen: een zwak werkwoord krijgt een staartje achteraan, een sterk werkwoord verandert van binnen. Meer voorbeelden van de tweede soort staan in de lijst bij sterke werkwoorden.

Zwakke werkwoorden vervoegen

Vervoegen betekent: het werkwoord in alle vormen zetten. Hieronder staat het zwakke werkwoord fietsen helemaal uitgeschreven.

PersoonNuVroegerVoltooid
ikfietsfietsteheb gefietst
jij, jefietstfietstehebt gefietst
hij, zij, hetfietstfietsteheeft gefietst
wij, jullie, zijfietsenfietstenhebben gefietst

Voor -⁠te of -⁠de kijkt je kind naar de laatste letter van de stam: zit die in t, k, f, s, ch of p, dan wordt het -⁠te, anders -⁠de. De regel en de lastige gevallen zoals reisde staan bij 't kofschip. Hoe je de verleden tijd maakt, lees je bij verleden tijd, en voor ge...t of ge...d is er een pagina over het voltooid deelwoord.

Zwakke werkwoorden lijst met voorbeelden

Een lijst van alle zwakke werkwoorden bestaat niet: het zijn er duizenden. Hieronder staan veelgebruikte voorbeelden, verdeeld naar -⁠te en -⁠de, plus de groepjes waar kinderen vaak over struikelen.

Met -⁠te (laatste letter in 't kofschip)

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
werkenwerktegewerkt
makenmaaktegemaakt
kokenkooktegekookt
stoppenstoptegestopt
hopenhooptegehoopt
dansendanstegedanst
missenmistegemist
blaffenblaftegeblaft
juichenjuichtegejuicht

Met -⁠de (laatste letter niet in 't kofschip)

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
wonenwoondegewoond
spelenspeeldegespeeld
bouwenbouwdegebouwd
huilenhuildegehuild
lerenleerdegeleerd
tekenentekendegetekend
zwaaienzwaaidegezwaaid
krabbenkrabdegekrabd

Met een v of z: altijd -⁠de

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
levenleefdegeleefd
durvendurfdegedurfd
gelovengeloofdegeloofd
reizenreisdegereisd
verhuizenverhuisdeverhuisd
blozenbloosdegebloosd

Stam op t of d: dubbele letter in de verleden tijd

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
pratenpraattegepraat
wachtenwachttegewacht
zettenzettegezet
brandenbranddegebrand
landenlanddegeland
antwoordenantwoorddegeantwoord

Half sterk: lachen, bakken en vragen

Een klein groepje werkwoorden is half zwak en half sterk. De verleden tijd is zwak, maar het voltooid deelwoord eindigt op -⁠en, zoals bij een sterk werkwoord. Bij vragen is het net andersom.

Hele werkwoordVerleden tijdVoltooid deelwoord
lachenlachtegelachen
bakkenbaktegebakken
wassenwastegewassen
radenraaddegeraden
bradenbraaddegebraden
vouwenvouwdegevouwen
hetenheettegeheten
vragenvroeggevraagd

Deze woorden leer je het best als rijtje, hardop: lachen, lachte, gelachen.

Gratis werkbladen zwakke werkwoorden

Om te printen, in zwart-wit. De antwoorden staan op de laatste pagina.

In welke groep komt zwakke werkwoorden aan bod?

  • Groep 5Kinderen horen dat de meeste werkwoorden -⁠te of -⁠de krijgen in de verleden tijd, en dat sommige werkwoorden van klank veranderen.
  • Groep 6Zwakke werkwoorden in de verleden tijd met 't kofschip, en het verschil met sterke werkwoorden.
  • Groep 7Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden, en de lastige groepjes met een v of z of een stam op t of d.
  • Groep 8Vervoegen in alle tijden en de half sterke werkwoorden zoals lachen, lachte, gelachen.

Hier gaat het vaak mis bij zwakke werkwoorden

  • Kinderen denken dat zwak betekent: makkelijk. Maar juist bij zwakke werkwoorden zitten de spellingvalkuilen, zoals reisde, praatte en gebrand. Laat ze altijd eerst de stam opschrijven.
  • Half sterke werkwoorden worden helemaal zwak gemaakt: gelacht, gebakt. Leer die paar werkwoorden apart, als rijtje van drie.
  • Bij -⁠ten of -⁠den in het meervoud vergeten kinderen de n: wij fietste. Laat ze na het schrijven checken: gaat het over één of over meer?

Tips om thuis met zwakke werkwoorden te oefenen

  • Maak samen een rijtjeskaart: links het hele werkwoord, in het midden de verleden tijd, rechts het voltooid deelwoord. Begin met werkwoorden uit jullie eigen dag: koken, fietsen, spelen.
  • Speel staartje of verandering: jij noemt een werkwoord, je kind zegt of het een staartje krijgt (zwak) of van binnen verandert (sterk).
  • Nieuwe woorden zijn bijna altijd zwak. Vraag je kind eens hoe je appen, gamen of googelen in de verleden tijd schrijft. Dat is een leuke test of de regel echt begrepen is.
Spellingpakket per groep: Voor dit onderwerp: het pakket van groep 5 tot en met 8. Zes weken met een plan, uitleg voor jou en alle antwoorden, € 6,95.Groep 5Groep 6Groep 7Groep 8

Wat ouders vragen over zwakke werkwoorden

Wat zijn zwakke werkwoorden?

Werkwoorden die niet van klank veranderen in de verleden tijd. Ze krijgen -⁠te of -⁠de achter de stam (werkte, woonde), en hun voltooid deelwoord is ge + stam + t of d (gewerkt, gewoond).

Wat is het verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden?

Bij een zwak werkwoord blijft de klank gelijk en komt er -⁠te of -⁠de achter: werken, werkte. Bij een sterk werkwoord verandert de klank en komt er niets achter: drinken, dronk. Zeg het werkwoord hardop met gisteren, dan hoor je het.

Hoe maak je de verleden tijd van een zwak werkwoord?

Haal -⁠en van het hele werkwoord af, dan heb je de stam. Zit de laatste letter van de stam in 't kofschip? Dan stam + te. Anders stam + de. Bij meer dan één: -⁠ten of -⁠den.

Is lachen een sterk of een zwak werkwoord?

Allebei een beetje. De verleden tijd is zwak (lachte), maar het voltooid deelwoord is sterk (gelachen). Bakken, wassen en raden doen hetzelfde.

Verder oefenen

Alles van taal vind je op taal oefenen. Per groep: groep 5, groep 6, groep 7 en groep 8.